is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 1-50, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel III, onder L

Het opnemen in artikel 4 van een definitie van het begrip «fietsstrook» brengt een vereenvoudiging van de redactie van de beide leden van artikel 128 mede. De vervanging van de term «weggebruikers» door «bestuurders» in het eerste lid houdt verband met de wijziging van artikel 28.

Artikel III, onder M

Overeenkomstig het bepaalde in het tweede en derde lid van artikel 135 staat voor iedere belanghebbende beroep op de Kroon open tegen - voorzover hier van belang - besluiten tot plaatsing van in artikel 132 genoemde verkeerstekens. Tegen de aanduiding van fietsstroken staat, aangezien deze aanduiding niet in artikel 132 is vermeld, thans geen beroep open.

Nu als gevolg van de voorgestelde wijzigingen van artikel 81 de aanduiding van fietsstroken tevens een parkeer- en stopverbod op en langs die stroken met zich brengt, acht de ondergetekende het wenselijk dat belanghebbenden die deze consequentie niet wenselijk achten de mogelijkheid krijgen hun bezwaren kenbaar te maken bij de Kroon. Zulks is bewerkstelligd door in het vierde lid van artikel 132 te bepalen dat de aanduiding van fietsstroken slechts mag geschieden krachtens een door het daartoe competente bestuursorgaan genomen besluit.

Artikel IV, onder B

De vervanging van het vigerende bord 10 door het in Bijlage 2, behorende bij het Verdrag van Wenen inzake verkeerstekens van 1968, opgenomen bord (model B, 2a) houdt verband met de toepassing daarvan in de ons omringende landen. Gezien het nog steeds toenemende internationale verkeer meent ondergetekende dat met de invoering van dit bord niet kan worden gewacht totdat voornoemd Verdrag voor Nederland van kracht is geworden. Daarnaast is gebleken dat het bord een hogere attentiewaarde heeft dan het vigerende bord 10; invoering van het internationale bord is derhalve van belang voor de verkeersveiligheid.

In verband met dit laatste zou het ongewenst zijn dat de vervanging van de oude door de nieuwe borden zich over een te lange periode zou uitstrekken: bij toepassing van beide modellen gedurende een relatief lang tijdsbestek dreigt het gevaar dat minder alert op het oude bord zal worden gereageerd. Op grond hiervan meent ondergetekende dat het tijdvak waarbinnen de oude borden door de nieuwe zullen moeten worden vervangen niet langer dan één a twee weken zal mogen duren.

Naar het zich thans laat aanzien zullen over ongeveer acht maanden de met het plaatsen van de borden belaste autoriteiten in staat zijn om met bedoelde vervanging van de borden aan te vangen. Het tijdstip van inwerkingtreding van het onderhavige artikelonderdeel zal hierop worden afgestemd.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, D. S. Tuijnman