is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 51-100, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV

Artikel 8

1. In dit hoofdstuk wordt onder pensioen verstaan een pensioen hetwelk is toegekend dan wel mede is toegekend krachtens de Wet van 25 mei 1962 (Stb. 196). 2. In dit hoofdstuk wordt onder pensioenuitkering verstaan een pensioen, vermeerderd met een aanpassingstoeslag en een maandelijkse bijzondere uitkering, als bedoeld in artikel 21, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 31 van de Aanpassingsregeling pensioenen 1976.

Artikel 9

1. Gerekend van 1 juli 1978 worden de aanpassingstoeslag en de maandelijkse bijzondere uitkering op de per die datum lopende pensioenen zodanig aangepast, dat de ingevolge artikel 11 van de Aanpassingsregeling pensioenen 1978-1 verhoogde pensioenuitkering nader wordt verhoogd met 2%, met dien verstande, dat voor een naar de voor het verkrijgen van maximumpensioen vereiste diensttijd berekend a. eigen pensioen, onderscheidenlijk weduwenpensioen, behoudens het bepaalde onder b., de verhoging minstens f 25,20 onderscheidenlijk f 18,per maand bedraagt; b. eigen pensioen, onderscheidenlijk weduwenpensioen, als bedoeld in artikel 31, eerste lid, sub b., van de Aanpassingsregeling pensioenen 1976 de maandelijkse verhoging minstens gelijk is aan het bedrag, dat gevonden wordt door f 36,- te vermenigvuldigen met de in dat artikel genoemde breuk, onderscheidenlijk met 5/7 gedeelte van dit bedrag. 2. Indien een pensioen, als bedoeld in het vorige lid, berekend is of wordt naar een kortere dan de daarbedoelde diensttijd, vindt het in dat lid bepaalde overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat de daarin genoemde bedragen worden verminderd overeenkomstig de verhouding tussen de voor berekening van het pensioen medegetelde diensttijd en de voor het verkrijgen van maximumpensioen vereiste diensttijd. 3. Indien een wezenpensioen een weduwenpensioen ten grondslag heeft, waarop een aanpassingstoeslag en een maandelijkse bijzondere uitkering zijn of zouden zijn verleend, die ingevolge het bepaalde in de twee vorige leden zijn of zouden zijn aangepast, worden de aanpassingstoeslag en de maandelijkse bijzondere uitkering op het wezenpensioen zodanig aangepast, dat de pensioenuitkering wordt verhoogd evenredig aan de verhoging van de pensioenuitkering van het weduwenpensioen, met dien verstande, dat het gezamenlijk bedrag aan verhoging van de pensioenuitkering van het weduwen- en wezenpensioen of van het wezenpensioen het bedrag van de verhoging, die de pensioenuitkering van het eigen pensioen, waarvan die pensioenen zijn of moeten worden geacht te zijn afgeleid, krachtens het bepaalde in het eerste of tweede lid zou hebben ondergaan, niet te boven gaat. 4. De aanpassingstoeslag en de maandelijkse bijzondere uitkering op een pensioen, toe te kennen per 1 juli 1978 of later, worden na toepassing van het gestelde in de Aanpassingsregeling pensioenen 1978-1 nader aangepast overeenkomstig het bepaalde in de vorige leden.

HOOFDSTUK V Artikel 10

1. Met ingang van 1 juli 1978 worden de in de, in de voorgaande artikelen 1,3 en 5 genoemde, pensioenwetten voorkomende bedragen, zoals vastgesteld bij artikel 12 van de Aanpassingsregeling pensioenen 1978-1, gewijzigd in onderscheidenlijk: