is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 51-100, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat burgemeester en wethouders de vergunning hebben geweigerd met name op grond van de overweging, dat in de gemeentelijke «zomerhuisadministratie» en inhet ten tijde van de aanvraag nog in procedure zijnde bestemmingsplan «Centraal Plassengebied 1974» bedoeld pand als zomerhuis is opgenomen en ook in de destijds verleende bouwvergunning het woord zomerhuis is vermeld;

dat M. G. Ydo in zijn tegen deze beslissing ingestelde beroep heeft gesteld, dat de onderwerpelijke woning is ontworpen en gebouwd voor permanente bewoning en tevens alsnog op grond van het bepaalde in 352, vierde lid, van de bouwverordening van Reeuwijk vrijstelling heeft gevraagd van het bepaalde in het eerste lid van voormeld artikel;

dat de raad dit beroep ongegrond heeft verklaard en bedoelde vrijstelling heeft geweigerd;

dat de raad daarbij onder meer heeft overwogen, dat het zomerhuis blijkens de constructie en inrichting en voorts in verband met de niet onderlinge bereikbaarheid van de vertrekken niet voldoet aan de door de bouwverordening ten aanzien van de permanente woningen gestelde eisen en dat door het verlenen van vrijstelling niet meer aan de eisen van een goede huisvesting zou worden voldaan;

Overwegende voorts, dat het perceel, waarop de onderhavige woning is gelegen, bij het ten tijde van de aanvraag om vergunning geldende bestemmingsplan «Westelijk Plassengebied 1953» gedeeltelijk was aangegeven tot «eengezinshuizen categorie X» en gedeeltelijk tot «plas- en zomerhuizen categorie C» en de woning slechts voor een gedeelte op grond met laatstgenoemde bestemming is opgericht;

dat blijkens het ter zake ingestelde onderzoek de woning onder andere een oppervlakte heeft van meer dan het drievoudige van de maximumoppervlakte, welke ingevolge genoemd bestemmingsplan voor de oprichting van «plas- en zomerhuizen categorie C» was toegelaten en vrijwel alle voor permanente bewoning noodzakelijke voorzieningen bevat;

dat deze woning gezien de afmetingen, in elk geval niet als een zomerhuis als bedoeld in het bestemmingsplan kan worden aangemerkt en dat in verband hiermede niet kan worden gesteld, dat de bestemming «plas- en zomerhuizen categorie C» van het toen geldende bestemmingsplan was verwezenlijkt;

dat in het onderwerpelijke geval derhalve van een verbod voor het gebruiken van een bouwwerk in strijd met een verwezenlijkte bestemming in de zin van artikel 352, eerste lid, van de bouwverordening geen sprake kan zijn, zodat een vrijstelling als bedoeld in het vierde lid van dit artikel niet nodig is, zulks daargelaten de vraag of aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarde is voldaan, behorende immers de bebouwingsvoorschriften bij eerder genoemd - als uitbreidingsplan tot stand gekomen - bestemmingsplan tot de «voorschriften omtrent het gebruik», bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en in dat eerste lid;

dat de woning voorts, afgezien van de eis van onderlinge bereikbaarheid van de vertrekken, welke eis echter slechts gesteld kan worden bij een aanvraag om bouwvergunning en niet van toepassing is op een bestaand, niet in uitvoering zijnd bouwwerk als het onderhavige, geheel aan de desbetreffende bepalingen van de bouwverordening van Reeuwijk voldoet;

dat naar het onderzoek heeft uitgewezen, ook blijkens de constructie en inrichting de woning geschikt moet worden geacht voor permanente be-