is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 101-150, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wachtgeld

Artikel 132

De ambtenaar, aan wie eervol ontslag is verleend op grond van artikel 126, eerste lid of artikel 127, heeft aanspraak op een wachtgeld krachtens het Rijkswachtgeldbesluit 1959, onverminderd het bepaalde in artikel 5 van dat besluit.

Artikel 133

De ambtenaar in vaste dienst, aan wie eervol ontslag is verleend op grond van artikel 129, eerste lid onder g., heeft aanspraak op een wachtgeld krachtens het Rijkswachtgeldbesluit 1959, onverminderd het bepaalde in artikel 5 van dat besluit.

Artikel 134

Uitkering na overlijden

1. De bezoldiging van de ambtenaar wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van het overlijden. 2. Met inachtneming van het bepaalde in het vijfde lid wordt zo spoedig mogelijk na het overlijden aan de weduwe of weduwnaar, van wie de overleden ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden dan wel van dertien weken, naar gelang de bezoldiging per maand dan wel per week werd uitbetaald. Als maatstaf bij de berekening van het in de vorige volzin bedoelde bedrag geldt, behoudens het hierna bepaalde, de bezoldiging, welke de ambtenaar op de dag van het overlijden genoot. De uitkering wordt vermeerderd met een bedrag gelijk aan driemaal dat van de vakantie-uitkering over een maand, berekend op de voet van het bepaalde in § 2 van hoofdstuk V. naar de wedde en de kindertoelage/-bijslag die de ambtenaar in de maand van het overlijden zou hebben genoten. Indien de ambtenaar in het genot was van een toelage als bedoeld in artikel 22a., of van een prestatiebeloning met toepassing van artikel 23 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948, wordt het gedeelte van de in de eerste volzin bedoelde uitkering, dat betrekking heeft op vorenbedoelde toelage of prestatiebeloning gesteld op het bedrag, dat de overleden ambtenaar in de drie maanden respectievelijk de dertien weken voorafgaande aan de dag van het overlijden aan zodanige toelage of prestatiebeloning is toegekend. Bij ontstentenis van een weduwe of weduwnaar, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen in de zin van dit artikel worden mede verstaan natuurlijke kinderen en kinderen, waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen. 3. Indien de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het tweede lid, nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door het bevoegd gezag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is. 4. Voor die toepassing van het tweede lid van dit artikel wordt onder bezoldiging verstaan de bezoldiging in de zin van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948, vermeerderd met de kindertoelage, toegekend ingevolge de Kindertoelageregeling Overheidspersoneel en de kinderbijslag, toegekend ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet, dan wel indien de ambtenaar op de dag van het overlijden wegens ziekte of ongeval verhinderd was zijn dienst te verrichten, hetgeen daaronder voor de toepassing van Hoofdstuk VI. wordt verstaan.