is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 151-190, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

- welke middelen het beste kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de verschillende activiteiten; onder middelen wordt verstaan: ruimtelijke voorzieningen, ondersteuning en uitvoering van activiteiten door beroepskrachten, outillage, apparatuur en algemene service- en dienstverlening;

- de beleidsvoorbereiding zal op zorgvuldige wijze moeten worden geregeld, hetgeen betekent, dat bevolking en particulier initiatief hierbij betrokken zijn en waar nodig overleg wordt gepleegd met representatieve organisaties van werknemers en werkgevers over personele gevolgen van het vierjarenplan of het jaarprogramma (artikelen 16, 17 en 18).

Deze zelfstandige bepaling van prioriteiten door gemeenten zal echter moeten plaatsvinden binnen de-in de rijksbijdrageregeling geformuleerdevoorwaarden;

- rijksbijdragen kunnen slechts voor de in de regeling omschreven doelstellingen en de daarbij aangegeven middelen worden aangewend (artikel 1, 2 );

- in het plan en programma zal de gemeente moeten aantonen dat, gelet op de verkenning van de sociale, culturele en educatieve situatie, wordt zorggedragen voor een evenwichtig aanbod van sociaal-cultureie activiteiten. Bij de toetsing van het programma door de rijksoverheid zal dit inhouden dat de gemeente aannemelijkzal moeten maken waarom aan een bepaalde doelstelling van beleid of aan een bepaalde groep of situatie geen aandacht wordt besteed.

In de huidige situatie doen zich vele gevallen voor waarin vooral kleine gemeenten door samenwerking op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen voorzieningen op sociaal-cultureel terrein realiseren.

Deze mogelijkheid wordt in de Rijksbijdrageregeling sociaal-cultureie activiteiten uitdrukkelijk open gelaten (artikel 1, lid 2). Het staat gemeenten vrij, voor het gehele beleid op het terrein van sociaal-cultureie activiteiten of voor onderdelen daarvan, gezamenlijk een plan op te stellen en voor de uitvoering daarvan maatregelen te treffen.

Indien gemeenten voor het gehele beleid ten aanzien van sociaal-culturele activiteiten een gemeenschappelijke regeling hebben getroffen op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen, zullen het plan en het programma van de samenwerkende gemeenten het totaal van het beleid op dit terrein van de betrokken gemeenten omvatten.

In dat geval zal de rijksoverheid dit gezamenlijke plan en programma beschouwen als hèt plan en programma van de betrokken gemeenten.

De rijksbijdrage zal een optelsom zijn van de anders aan afzonderlijke gemeenten te verstrekken bijdragen en zal aan deze samenwerking van gemeenten beschikbaar worden gesteld. Veelal zal de samenwerking van gemeenten zich echter beperken tot een bepaald onderdeel van het beleid ten aanzien van sociaal-cultureie activiteiten.

In dat geval zal in elk afzonderlijk gemeentelijk plan opgave moeten worden gedaan van de bijdrage die de desbetreffende gemeente levert aan deze samenwerking en welke activiteiten in de bedoelde gemeente worden uitgevoerd. Overigens kan verwezen worden naar een bij te voegen overzicht van deze intergemeentelijke samenwerking.

Eenzelfde procedure kan worden gevolgd indien een buiten de gemeente werkende instelling of groep bepaalde sociaal-cultureie activiteiten ten behoeve van de burgers van de gemeente uitoefent.

Waar de gemeente gebruik maakt van verschillende vergelijkbare rijksbijdrageregelingen, kan de wenselijkheid blijken een breder welzijnsplan en -programma te ontwikkelen, zoals in het kader van het bijzonder regionaal welzijnsbeleid. De mogelijkheid hiertoe wordt in het kader van deze regeling niet uitgesloten.

Zowel in het stadium van de verkenning van de sociale en culturele situatie, de afstemming van beleidsmaatregelen op andere sectoren van beleid, als in de inspraakfasen, kan een bredere benadering gewenst zijn. Bij de uit-