is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 151-190, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. «belanghebbende»: de belanghebbende, bedoeld in artikel I-A1, alsmede in voorkomende gevallen de gewezen belanghebbende door wie een ontslaguitkering is aangevraagd of aan wie een ontslaguitkering is toegekend; c. «diensttijd»: de diensttijd bedoeld in artikel I-A1, die is doorgebracht in de betrekking waaruit ontslag wordt verleend, alsmede in de betrekking of betrekkingen die redelijkerwijs geacht kunnen worden daaraan te zijn voorafgegaan, een en ander: 1. met uitzondering van de tijd die met een toegekend pensioen is vergolden; 2. met uitzondering van de tijd, bedoeld in artikel D3 van de pensioenwet; 3. met toevoeging van de tijd bedoeld in artikel D1 onder c tot en met e van de pensioenwet, ook indien de belanghebbende het in artikel D2 van die wet bedoelde verzoek aan de directie niet heeft gedaan; 4. met uitzondering van de tijd doorgebracht in een aangehouden betrekking; 5. met uitzondering van de tijd die is of kan worden geacht te zijn voorafgegaan aan een ontslag terzake waarvan enige middellijk of onmiddellijk uit de openbare kas bekostigde uitkering is toegekend; 6. met uitzondering van de tijd die vooraf gaat aan een onderbreking door ontslag: - voor wat betreft een wachtgeld - van langer dan één jaar; - voor wat betreft een lange of korte uitkering - van langer dan twee maanden; 7. met uitzondering van de tijd die vooraf gaat aan een ontslag uit een funktie wegens het bereiken van de leeftijdsgrens die uit hoofde van de aard van de aan die funktie verbonden werkzaamheden voor de vervulling van die funktie is vastgesteld, mits uit hoofde van dat ontslag een uitkering is toegekend; 8. met toevoeging van - voor wat het wachtgeld betreft - de diensttijd die aan het ontslag voorafgaat in een betrekking waarin belanghebbende krachtens het bepaalde in artikel B7, onder a, van de pensioenwet geen ambtenaar is in de zin van die wet, mits het ontslag uit die betrekking is verleend; d. «laatstelijk genoten bezoldiging»: de bezoldiging, bedoeld in artikel I-A1, indien en voor zover deze door Onze minister is bekostigd, vermeerderd met het bedrag van de vakantie-uitkering, berekend over een maand: 1. waarop de belanghebbende op de dag voorafgaande aan zijn ontslag aanspraak had; 2. welke de belanghebbende op de dag vóór het ontslag zou hebben genoten in de betrekking waaruit het ontslag is verleend, indien hij te dien tijde niet van de waarneming van zijn funktie tijdelijk was ontheven, dan wel met verlof zonder behoud van bezoldiging was geweest; 3. welke de belanghebbende - indien zijn bezoldiging door verandering in omvang van zijn werkzaamheden naar het oordeel van Onze minister veelvuldig wijziging onderging - gedurende de laatste 12 maanden gemiddeld per maand genoot, een en ander met dien verstande dat de laatstelijk genoten bezoldiging ten hoogste gelijk is aan die behorende bij een normbetrekking en dat ten aanzien van de vakonderwijzer de eis van bekostiging door Onze minister niet geldt; e. «norm-bezoldiging»: de bezoldiging die de belanghebbende in de beëindigde betrekking zou hebben genoten indien hij deze had aangehouden en deze de omvang van een normbetrekking had. Indien de belanghebbende in de beëindigde betrekking volgens meer dan één schaal werd bezoldigd wordt de normbezoldiging berekend naar de hoogste schaal; f. «ontslag»: ontslag uit een betrekking in vaste of in tijdelijke dienst alsmede de beëindiging van een betrekking in tijdelijke dienst door het verstrijken van de overeengekomen tijd.