is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 151-190, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Het bepaalde in het eerste lid, onderf, en in het tweede lid, onder a en b, is niet van toepassing op de belanghebbende die de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. Artikel I-H20 Vermindering van het bedrag van de ontslaguitkering 1. Het bedrag van de ontslaguitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met de in dit lid genoemde verzuimde, prijsgegeven of verloren gegane inkomsten, de laatstelijk genoten bezoldiging zou hebben overschreden, indien de belanghebbende: a. een hem aangeboden betrekking die voor hem passend kan worden geacht weigert te aanvaarden; b. in de gelegenheid is om op een wijze die voor hem passend kan worden geacht inkomsten te verkrijgen maar daarvan geen gebruik maakt; c. inkomsten als bedoeld in de artikelen I-H14 en I-H15 zonder voldoende reden prijs geeft dan wel door eigen schuld of toedoen verloren doet gaan. 2. Het bedrag van de ontslaguitkering wordt verminderd tot nihil zolang de belanghebbende: a. de hem bij of krachtens dit hoofdstuk opgelegde verplichtingen ten onrechte niet of niet volledig nakomt, tenzij hij aantoont dat hij hiertoe redelijkerwijs niet in staat is geweest; b. metterwoon verblijf houdt in het buitenland, tenzij Onze minister op een door de belanghebbende daartoe gedaan verzoek anders beslist; c. verhindert, zij het ook alleen door gebrek aan medewerking, dat een geneeskundig onderzoek tot het verkrijgen van een invaliditeitspensioen ingevolge de pensioenwet plaats heeft. 3. Het bepaalde in lid 1, onder a en b, en in lid 2, onder a en b, is niet van toepassing op de belanghebbende die de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. Artikel I-H21 Opschorting 1. Ten aanzien van de belanghebbende die arbeidsongeschikt is en nog aanspraak heeft of krijgt op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging op grond van artikel I-E19, eerste, tweede of vijfde lid, wordt de verdere uitvoering van de ontslaguitkeringsregeling, vervat in dit hoofdstuk, opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die aanspraak bestaat. 2. Ten aanzien van de belanghebbende die aanspraak heeft op een uitkering overeenkomstig de normen van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, als bedoeld in artikel I-E19, vierde lid, wordt, mits deze uitkering niet minder bedraagt dan 80% van de laatstgenoten bezoldiging, de uitvoering van de regeling vervat in dit hoofdstuk opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die aanspraak bestaat. 3. Ten aanzien van de belanghebbende wiens bezoldiging wordt doorbetaald over de tijd die aan de voor hem geldende opzeggingstermijn ontbreekt, wordt de uitvoering van de regeling vervat in dit hoofdstuk opgeschort tot het einde van dat tijdvak. 4. Ten aanzien van de belanghebbende die zich ingevolge wettelijke verplichting als militair of noodwachter in werkelijke dienst bevindt of moet begeven, wordt de (verdere) uitvoering van de regeling, vervat in dit hoofdstuk, voor de duur van deze dienst opgeschort. 5. Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing ingeval de belanghebbende is tewerkgesteld als gewetensbezwaarde in de zin van artikel 9 van de Wet Gewetensbezwaren militaire dienst. Artikel I-H22 Uitkering ter aanvulling van invaliditeitspensioen 1. Onze minister verleent desgevraagd aan de belanghebbende, die terzake van zijn ontslag aanspraak heeft op invaliditeitspensioen en uit dien hoofde op grond van het bepaalde in artikel I-H10, eerste lid, onder c, geen recht heeft op een ontslaguitkering, indien en voor zover hij als onvrijwillig werkloos kan worden aangemerkt, gedurende ten hoogste 6 maanden op bedoeld pensioen een aanvullende uitkering tot het bedrag aan pensioen waarop de belanghebbende aanspraak zou hebben gehad bij een algemene invaliditeit van 80% of meer.