is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 151-190, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Onder pensioen als bedoeld in het eerste lid wordt mede begrepen een eventuele uitkering op grond van artikel I-E21. 3. Een uitkering als bedoeld in het eerste lid wordt niet aangemerkt als wachtgeld in de zin van de pensioenwet. 4. Bij overlijden van een belanghebbende die op het tijdstip van overlijden een uitkering als bedoeld in het eerste lid genoot, wordt aan de in artikel Q6 van de pensioenwet vermelde nagelaten betrekkingen een op basis van het bedrag van de uitkering op dat tijdstip berekende overlijdensuitkering verleend op de voet van het bepaalde in artikel Q6 van die wet. 5. Onze minister stelt nadere richtlijnen vast ter uitvoering van het bepaalde in het eerste lid. Daarbij kunnen tevens groepen van belanghebbenden worden aangewezen voor wie het bepaalde in het eerste lid voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing is. 6. Indien ter zake van de in het eerste lid bedoelde uitkering premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet wordt geheven, wordt de uitkering verhoogd met 7,1 % van het bedrag der uitkering waarover die premie wordt geheven. Artikel I-H23 Samenloop van ontslaguitkering met uitkering wegens arbeidsongeschiktheid Indien de belanghebbende aanspraak heeft op een uitkering overeenkomstig de normen van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, als bedoeld in artikel I-E19, vierde lid, die minder bedraagt dan 80% van de laatstelijk genoten bezoldiging, wordt de ontslaguitkering slechts uitbetaald voor zover deze de eerstgenoemde uitkering te boven gaat. Artikel I-H24 Afkoop Op verzoek van de belanghebbende kunnen, indien Onze minister daartoe termen aanwezig acht, het wachtgeld en de lange uitkering geheel of ten dele worden vervangen door een afkoopsom. Artikel I-H25 Bezwaarschrift 1. De belanghebbende die bezwaar heeft tegen een ter uitvoering van dit hoofdstuk te zijnen aanzien genomen beslissing kan binnen 2 maanden na de ontvangst daarvan Onze minister verzoeken hem een voor beroep vatbare beslissing toe te zenden. 2. Tegen een voor beroep vatbare beslissing, bedoeld in het eerste lid, kan de belanghebbende binnen 30 dagen na de ontvangst daarvan bij Onze minister in beroep komen. 3. Van de mogelijkheid tot het aanvragen van een voor beroep vatbare beslissing alsmede van de mogelijkheid tot het instellen van beroep wordt de belanghebbende bij de kennisgeving van de in het eerste en tweede lid bedoelde beslissingen mededeling gedaan. 4. Onze minister beslist, gehoord de commissie, bedoeld in artikel 21 van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Stb. 1972, 56). 5. De met redenen omklede beslissing van de mininster wordt de belanghebbende zo spoedig mogelijk ter kennis gebracht. De belanghebbende ontvangt een afschrift van het door de commissie uitgebrachte advies. Artikel I-H26 Slotbepaling 1. In gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar billijkheid voorziet, beslist Onze minister, zonodig in afwijking van het bepaalde in de voorgaande artikelen. 2. Onze minister kan nadere regels geven ter uitvoering van het bepaalde in dit hoofdstuk. C. In titel IV wordt na hoofdstuk IV-B een hoofdstuk IV-H ingevoegd, luidende als volgt: