is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 151-190, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NOTA VAN TOELICHTING

Bij het voorliggende besluit wordt een hoofdstuk l-H ingevoegd in het Rechtspositiebesluit KO/LO, regelende de aanspraken bij ontslag van het onderwijzend personeel bij het kleuter- en lager onderwijs.

De onderhavige materie is tot op heden geregeld in de Regeling ontslaguitkeringen KO/LO 1969 (Stb. 1971,479) en de Ontslaguitkeringsregeling vakonderwijzers L.O. (Stb. 1972, 506). De regeling voor laatstgenoemde categorie belanghebbenden was op enkele punten ongunstiger dan die voor kleuterleidster en groepsonderwijzers.

Zo kende de genoemde Ontslaguitkeringsregeling niet een recht op wachtgeld voor de vakonderwijzers, terwijl een zogenaamde lange uitkering ten hoogste 1 jaar kon duren. In de voorgestelde regeling komt ieder verschil met kleuterleidsters en onderwijzers in dit opzicht te vervallen.

In de onderhavige regeling is verder zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de overeenkomstige bepalingen in het «Rijkswachtgeldbesluit 1959» en de «Uitkeringsregeling 1966» en zijn de in 1972 in die regelingen aangebrachte wijzigingen (Stbn. 1972, 56 en 62) thans verwerkt (onder meer de artikelen I-H3, derde en vierde lid, I-H4, eerste, tweede en vijfde lid, I-H7, tweede lid, I-H11, derde en vierde lid, l-H 13, zevende lid, l-H 19, eerste lid onder b en I-H23).

Van de gelegenheid is tevens gebruik gemaakt om ten opzichte van de oude regelingen een aantal wijzigingen van systematische en redactionele aard aan te brengen die beogen de overzichtelijkheid respectievelijk de leesbaarheid van dit hoofdstuk te verhogen. Zo werden de beletselen voor het verkrijgen van het recht op een ontslaguitkering in één artikel (l-H 10) bijeengezet en werden de bepalingen over verval van het recht op uitkering en vermindering van het bedrag van de uitkering verduidelijkt (artikelen l-H 19 en I-H20). Door het opnemen van een definitie van het begrip «ontslag» in artikel l-H 1, eerste lid, onder f, konden de bepalingen in de artikelen 5, derde lid en 8, zesde lid, van de Regeling ontslaguitkeringen K.O./L.O. vervallen.

Omdat in de onderwijssituatie samenloop van betrekkingen veelvuldig voorkomt, werd de bepaling betreffende de minimumeis voor het verkrijgen van een korte uitkering (artikel I-H8, onder c1 en c2) verduidelijkt en kon de - onduidelijke - bepaling vervat in artikel 8, vijfde lid, van bovengenoemde regeling vervallen.

Tenslotte zijn materieel nieuwe bepalingen opgenomen met betrekking tot de anticumulatie van nieuwe inkomsten op de ontslaguitkering die als volgt kunnen worden toegelicht.

Anticumulatie (artikelen l-H14en l-H 15)

In het voorliggende besluit wordt een onderscheid gemaakt tussen anticumulatie van bestaande inkomsten (artikel l-H 14) en van nieuwe inkomsten (artikel I-H15).

De Regeling Ontslaguitkeringen KO/LO 1969 en de Ontslaguitkeringsregeling vakonderwijzers LO bevatten wel een regeling voor de anticumulatie van inkomsten uit een betrekking die met ingang van of na de dag van het ontslag werd aanvaard (nieuwe inkomsten, in dit besluit opgenomen in artikel l-H 15), maar niet voor de anticumulatie van bestaande inkomsten.

In plaats daarvan kenden bovengenoemde ontslaguitkeringsregelingen een bepaling dat geen recht op een ontslaguitkering bestond voor zover het ontslag betrof uit dat deel van dag- en avondbetrekkingen, dat de omvang van de normale dagbetrekking van leidster/onderwijzer dan wel, voor de vakonderwijzer, 26 uur te boven ging. Omdat deze bepaling als onbillijk werd ervaren, wordt een nieuw systeem, verwoord in artikel l-H 14, voorgesteld. In dit nieuwe systeem verkrijgt men, mits men aan de voorwaarden voldoet, recht op een ontslaguitkering afhankelijk van de laatstelijk genoten bezoldiging (dus de verloren inkomsten), hoewel de uitbetaling afhankelijk is van de aangehouden inkomsten. Dit eenmaal vastgestelde rechfwordt niet aangetast door later optredende wijzigingen van de inkomsten van de belanghebbende. Dergelijke inkomsten zijn echter wél bepalend voor de