is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 151-190, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 13. Voor ieder vak bestaat het eindexamen uit twee gedeelten: a. een schoolonderzoek; b. een schriftelijk examen. Artikel 14. Het schoolonderzoek wordt met inachtneming van hetgeen bij of krachtens dit besluit daaromtrent is bepaald, ingesteld door de directeur en de examinatoren. Artikel 15. Het schriftelijk examen wordt, met inachtneming van hetgeen bij of krachtens dit besluit daaromtrent is bepaald, afgenomen door de directeur en de examinatoren onder toezicht van gecommitteerden.

HOOFDSTUK IV

Schoolonderzoek

Artikel 16. 1. (vervallen). 2. (vervallen). 3. Het schoolonderzoek in een vak geschiedt in het hoogste leerjaar, met dien verstande dat het bij een school voor v.w.o. en bij een school of afdeling voor h.a.v.o. kan beginnen in het voorlaatste leerjaar. 4. Het schoolonderzoek in een vak bestaat uit het afnemen van twee of meer proeven, met dien verstande dat de laatste proef binnen een periode van 8 weken voor de aanvang van de schriftelijke examens wordt afgenomen. De proeven in een vak beslaan tezamen de stof waarover het schoolonderzoek zich ingevolge het eindexamenprogramma uitstrekt. 5. Bij het schoolonderzoek in de vakken wiskunde, wiskunde I, wiskunde II, natuurkunde, scheikunde, natuur- en scheikunde, natuur- en scheikunde I, natuur- en scheikunde II, economische wetenschappen I en recht, economische wetenschappen II en recht, handelswetenschappen en recht, handelskennis wordt ten minste één proef op schriftelijke wijze afgenomen. 6. Van iedere beoordeling die bij het bepalen van het eindoordeel over een kandidaat medetelt, stelt de examinator de kandidaat zo spoedig mogelijk in kennis. 7. Het schoolonderzoek wordt ten minste een week voor de aanvang van de schriftelijke examens afgesloten. 8. De examinator drukt zijn eindoordeel over kennis, inzicht en vaardigheid van een kandidaat in elk vak uit in een cijfer voor het schoolonderzoek. Daarbij gebruikt hij een schaal van cijfers lopende van 1 tot en met 10 met de daartussen liggende cijfers met één decimaal. In deze schaal van cijfers komt aan de gehele cijfers 1 tot en met 10 de volgende betekenis toe: 1 = zeer slecht 2 = slecht 3 = zeer onvoldoende 4 = onvoldoende 5 = bijna voldoende 6 = voldoende 7 = ruim voldoende 8 = goed 9 = zeer goed 10 = uitmuntend. 9. Het cijfer voor het schoolonderzoek is het gewogen gemiddelde van de beoordelingen, die voor de proeven van het schoolonderzoek aan de kandidaat zijn gegeven. 10. Indien een kandidaat in een vak doortwee of meer leraren is geëxamineerd, bepalen deze leraren in onderling overleg het cijfer voor het schoolonderzoek. Komen zij niet tot overeenstemming, dan wordt het cijfer bepaald op het rekenkundig gemiddelde van de beoordelingen door ieder van hen. Indien een gemiddelde, als bedoeld in dit lid, een cijfer met twee of meer