is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 151-190, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. De directeur zendt ten minste drie dagen voor de aanvang van de schriftelijke examens een overeenkomstig het vorige lid ingevuld en ondertekend exemplaar van de verzamellijst van cijfers aan de inspecteur. De directeur geeft de in het eerste lid bedoelde lijst van cijfers terug aan de examinator. 4. In het geval van artikel 23, tweede volzin, kan Onze minister voorschriften geven die afwijken van de vorige leden.

HOOFDSTUK V

Schriftelijk examen

Artikel 21. 1. Onze minister wijst voor elke school een of meer gecommitteerden aan. De aanwijzing geldt tot de afloop van de herkansing. Indien dit door Onze minister wordt verzocht, stelt het bevoegd gezag gecommitteerden ter aanwijzing voor. 2. De gecommitteerden ontvangen uit 's Rijks kas een beloning voor het nazien van het schriftelijk werk en een vergoeding van reis- en verblijfkosten, door Onze minister vast te stellen. Artikel 22. De directeur zendt jaarlijks vóór 1 oktober aan de inspecteur een genummerde alfabetische naamlijst van de kandidaten met vermelding van de vakken waarover het eindexamen van iedere leerling zal lopen. Artikel 23. Onze minister stelt jaarlijks vóór 15 september vast wanneer de schriftelijke examens zullen aanvangen, en op welke dagen en tijdstippen de zittingen van deze examens zullen plaatsvinden. Hij kan daarbij het schriftelijk examen in enig vak bepalen op een eerdere datum dan de vastgestelde aanvang van de schriftelijke examens. Onze minister doet van de aldus vastgestelde data en tijdstippen mededeling aan de directeuren. Artikel 24. 1. Onze minister stelt een commissie, belast met de vaststelling van de opgaven voor de schriftelijke examens in. 2. Deze opgaven worden met de vereiste zorg voor geheimhouding op rijkskosten gedrukt en verzonden aan de directeur van de school. Op de enveloppen wordt aangegeven het onderdeel waarop de inhoud betrekking heeft, de datum en het tijdstip waarop de opgaven aan de kandidaten moeten worden voorgelegd, de tijd die voor het werk beschikbaar is alsmede het aantal ingesloten exemplaren. De directeur draagt er zorg voor dat deze enveloppen met de vereiste geheimhouding, in ongeopende staat worden bewaard tot het in artikel 25, derde lid, genoemde moment. Artikel 25. 1. De kandidaten maken het werk onder toezicht van de directeur en leraren, met dien verstande dat de directeur ervoor zorgdraagt, dat steeds per 25 kandidaten ten minste één toezichthouder aanwezig is en in elk lokaal waar het werk wordt gemaakt ten minste twee van hen aanwezig zijn. 2. Zij die bij het examen toezicht hebben gehouden, maken over het verloop een proces-verbaal op; aan de directeuren worden de daarvoor nodige gedrukte formulieren vanwege Onze minister toegezonden. 3. Nadat bij de aanvang van het examen in enig vak een van degenen die toezicht houden, de zich op de enveloppe bevindende en daarvoor aangewezen gegevens heeft opgelezen en in orde bevonden, opent hij de enveloppe in tegenwoordigheid van de kandidaten. Indien niet alle kandidaten bij het examen in één lokaal kunnen worden geplaatst, geschiedt het openen in één der voor dit examen bestemde lokalen. 4. Onmiddellijk nadat de enveloppe geopend is, worden de opgaven rondgedeeld. 5. Gedurende een uur, volgende op het tijdstip van opening van de enveloppe, worden de opgaven niet buiten de examenlokalen gebracht.