is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 191-230, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dien verstande, dat hij niet als belanghebbende wordt aangemerkt voor de tijd gedurende welke hij: 1. in verband met het verrichten van militaire dienst van zijn bezoldiging of loon slechts een gedeelte genoot, dat gelijk was aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage; 2. geen bezoldiging of loon genoot, met dien verstande dat deze restrictie niet van toepassing is op de in artikel III, eerste lid, sub d, bedoelde aanvulling van f 0,62 per maand; d. peildatum: 1 november 1978 dan wel indien iemand op die datum de hoedanigheid van belanghebbende niet meer bezat, de laatste dag, waarop hij in de uitkeringsperiode belanghebbende was, of, indien hij die hoedanigheid na 1 november 1978 verkreeg, de datum waarop dit plaatsvond; e. wedde: de wedde in de zin van het Bezoldigingsbesluit; f. maand: een kalendermaand; g. uitkeringsbasis: de op de peildatum geldende wedde per maand, met uitzondering van de toelage als bedoeld in artikel 19a van het Bezoldigingsbesluit, voor zover deze op een vast bedrag is vastgesteld. 2. Ingeval het Bezoldigingsbesluit niet van toepassing is wordt onder wedde verstaan, het bedrag dat met de wedde in de zin van het Bezoldigingsbesluit overeenkomt, met dien verstande, dat voor de ambtenaren in de zin van het Bezoldigingsreglement Politie (Stb. 1959, 25) als zodanig wordt aangemerkt het salaris in de zin van dat reglement, vermeerderd met de toelagen bedoeld in de artikelen 18a en 21b van dat reglement. 3. Voor de belanghebbende, wiens salaris of loon op de peildatum niet in een vast bedrag per maand kan worden uitgedrukt als gevolg van het feit, dat hij wisselende inkomsten genoot, wordt als uitkeringsbasis genomen het bedrag, dat de belanghebbende over de uitkeringsperiode gemiddeld per maand heeft genoten. 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt mede in aanmerking genomen de vergoeding bedoeld in artikel 23 van het Bezoldigingsbesluit Burgemeesters 1954 (Stb. 251).

ARTIKEL II

De in artikel I, eerste lid, onder c, bedoelde functionarissen zijn:

A. de ambtenaren in de zin van het Bezoldigingsbesluit en zij, voor wie krachtens artikel 28 van dat besluit een bezoldigingsregeling is vastgesteld; B. de werknemers in de zin van het Arbeidsovereenkomstenbesluit (Stb. 1931,354) wier loon is vastgesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 12, eerste lid, onder b, c of d van dat besluit; C. de ambtenaren in de zin van het Bezoldigingsreglement Politie 1958; D. de ambtenaren in de zin van het Ambtenarenreglement Noodwachters (Stb. 1955, 327), die een ambt bekleden, dat is vermeld in de bijlage A van het Bezoldigingsreglement Noodwachtambtenaren (Stb. 1955, 329); E. de werknemers in de zin van het Arbeidsovereenkomstenbesluit Noodwachters (Stb. 1955, 328) wier loon is vastgesteld overeenkomstig de bezoldigingsregeling geldende voor de ambtenaren, bedoeld onder D; F. de burgemeesters wier gemeenten voor de toepassing van het Bezoldigingsbesluit Burgemeesters 1954zijn ingedeeld in de klassen 1 tot en met 20 ; G. de Voorzitter van het Openbaar lichaam Rijnmond; H. de Voorzitter van het Gewest 's-Gravenhage; I. de Landdrost van het Openbaar lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders; J. de functionarissen voor wie de bezoldiging is geregeld in de Wet van 11 september 1964, Stb. 387.