is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 191-230, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hierbij hoort het de planologische commissie Rijnmond en pleegt het overleg met de colleges van burgemeester en wethouders van de bij het plan betrokken gemeenten.

3°. In het vijfde lid vervallen de woorden «de commissie voorde ruimtelijke ordening gehoord».

D. Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

1°. Aan het vierde lid wordt toegevoegd: Daarbij kunnen, voor zover bovengemeentelijke belangen dat vorderen, voorschriften worden gegeven omtrent de inhoud van aanwijzingen, die het dagelijks bestuur van Rijnmond aan de gemeenteraden moet geven en over het nemen van voorbereidingsbesluiten. Voor zover deze aanwijzingen betrekking hebben op facetten van het nationale ruimtelijke beleid, waarvoor plannen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening zijn vastgesteld, dienen zij in overeenstemming te zijn met deze plannen.

2°. Toegevoegd wordt een nieuw zesde lid, luidende:

6. Voor zover de aanwijzingen daaromtrent voorschriften inhouden, is het dagelijks bestuur van Rijnmond verplicht aanwijzingen als bedoeld in artikel 37, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening tot de gemeenteraden te richten en voorbereidingsbesluiten te nemen; in spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur laatstgenoemde aanwijzingen ook geven voordat het streekplan is vastgesteld of herzien. Indien het dagelijks bestuur hieraan niet voldoet gaan Wij op kosten van het openbaar lichaam tot het geven van aanwijzingen aan de gemeenteraden of tot het nemen van voorbereidingsbesluiten over.

E. Artikel 22 wordt gelezen:

Bij een streekplan voor het gebied van het openbaar lichaam of voor een of meer delen daarvan kan worden bepaald, dat het dagelijks bestuur van Rijnmond, met inachtneming van in het plan vervatte regelen, bevoegd is bij het geven van aanwijzingen als bedoeld in artikel 37, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van het plan af te wijken.

F. De artikelen 25, 26 en 27 vervallen.

G. Artikel 28 wordt gelezen:

1. Bij de toepassing in het gebied van het openbaar lichaam van het bepaalde bij of krachtens de Hoofdstukken IV, V, met uitzondering van de artikelen 38 en 41, en VII van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 50, achtste lid, van de Woningwet, treden het dagelijks bestuur van Rijnmond en de planologische commissie Rijnmond in de plaats van Gedeputeerde Staten onderscheidenlijk de provinciale planologische commissie, met dien verstande: a. dat bij de toepassing van artikel 28, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening het bestemmingsplan gelijktijdig aan Gedeputeerde Staten wordt gezonden; b. dat bij de toepassing van de artikelen 28, tweede lid, en 35 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening het bepaalde in het tweede tot en met vijfde lid van dit artikel in acht wordt genomen; tevens wordt bij de toepassing van artikel 28, tweede lid, laatste volzin van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van het bericht de beslissing verdagende, een afschrift aan Gedeputeerde Staten gezonden; c. dat het bepaalde in artikel 28, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening buiten toepassing blijft, indien Gedeputeerde Staten aanwijzingen als bedoeld in het tweede lid van dit artikel geven; d. dat bij de toepassing van artikel 37, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in plaats van «vastgesteld» wordt gelezen: «goedgekeurd»; e. dat bij de toepassing van artikel 39, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in plaats van «artikel 38» wordt gelezen: «artikel 18, vijfde lid, van de Wet openbaar lichaam Rijnmond». 2. Uiterlijk twee maanden voor de afloop van de in het tweede lid van artikel 28 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening bedoelde termijn dan wel in geval van verdaging als in dat lid bedoeld, uiterlijk twee maanden voor af-