is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 231-270, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 9

De krachtens deze afdeling bestaande aansprakelijkheid wordt niet opgehe ven ingeval de aanvaring is veroorzaakt door de schuld van een loods, zelfs niet als het gebruik van deze verplicht is.

Afdeling 2

Hulpverlening

Artikel 1

De bepalingen omtrent hulp aan een schip zijn van overeenkomstige toepassing op hulp aan andere in zee dan wel in bevaarbaar binnenwater drijvende dan wel gezonken of aangespoelde zaken.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze afdeling worden de wateren genoemd in artikel 21 van de Wet op de strandvonderij beschouwd tot de zee, en de stranden en oevers daarvan tot het zeestrand te behoren.

Artikel 3

Deze afdeling is mede van toepassing, wanneer hulp is verleend door of aan een oorlogsschip of enig ander schip, dat toebehoort aan, dan wel gebruikt of bevracht wordt door enige Staat of openbaar lichaam.

Artikel 4

1. Hulp aan in gevaar verkerende schepen, aan zich aan boord daarvan bevindende zaken of aan van een schip afkomstige driftige, aangespoelde of gezonken zaken mag niet worden verleend tegen een uitdrukkelijk en redelijk verbod vanwege het. schip in. Kan een dergelijk verbod niet worden uitgevaardigd, dan mag geen hulp worden verleend tegen een uitdrukkelijk en redelijk verbod in van de rechthebbende op het schip of de daarvan afkomstige driftige, aangespoelde of gezonken zaak. 2. Een verbod tot hulpverlening kan steeds worden uitgevaardigd.

Artikel 5

1. Het verlenen van hulp aan een schip, aan zich aan boord daarvan bevindende zaken of aan van een schip afkomstige driftige, aangespoelde of gezonken zaken staat onder leiding van de kapitein en, wanneer er geen kapitein is of deze niet optreedt, onder leiding van de rechthebbende op het schip of de zaak. 2. Bij stranding of aanspoeling op of aan het vaste zeestrand berust de leiding, wanneer kapitein noch rechthebbende optreedt, bij de strandvonder. 3. Indien het noodzakelijk is onverwijld maatregelen te treffen, geldt het in dit artikel bepaalde niet, totdat de kapitein, de rechthebbende of de strandvonder de leiding op zich heeft genomen.

Artikel 6

1. Wanneer een schip door de bemanning is verlaten en door redders is overgenomen, staat het de kapitein steeds vrij naar zijn schip terug te keren en het gezag daarover te hernemen, in welk geval de redders terstond het gezag aan de kapitein moeten overdragen. 2. Indien de kapitein of de rechthebbende bij de hulpverlening of ter plaatse, waar de geredde zaken worden aangebracht, tegenwoordig is en dit de redders bekend is, moeten de redders, onverminderd artikel 8.6.2.17, die zaken terstond te zijner beschikking stellen.