is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 231-270, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden gefinancierd uit de door toepassing van het voor 1979 vastgestelde accres van de omroepbegrotingen van 6,65 pet., verkregen ruimte.

Aan de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen (Mormonen) is met ingang van 1 oktober 1979 een radiozendtijd van vijftien minuten per vier weken toegewezen.

In verband met het verkrijgen door de Veronica Omroep Organisatie van de C-status, is de totale televisiezendtijd per 15 november 1978 met 1 'I 2 uur per week uitgebreid. Per 1 januari 1979 werd de radiozendtijd van de VOO met 3 uur per week uitgebreid. Per 1 april verkreeg de VOO geheel de aan een C-omroep toekomende radiozendtijd van 13 uur en 6 minuten. Deze uitbreiding ging ten koste van de zendtijd van de andere omroeporganisaties en van de NOS. De aan een en ander verbonden extra kosten bedragen op jaarbasis (prijspeil 1978) f 6,7 mln. Voor eenmalige investeringen moet een bedrag van f 0,75 mln. worden uitgetrokken. De bedragen worden aanvullend beschikbaar gesteld.

In 1978 is de zendtijd voor Radio Noord en Radio Oost vastgesteld op 8 V 2 uur per week en die voor Radio Friesland op 6V2 uur per week. Bepaald werd dat een eventuele verdere uitbreiding van de zendtijd zou kunnen plaatsvinden indien door de NOS binnen de in de komende jaren beschikbaar te stellen middelen daartoe de nodige ruimte wordt gevonden. In beginsel is door mijn ambtsvoorganger voor de drie omroepen een zendtijd van in totaal 27 uur en 20 minuten beschikbaar gesteld.

De NOS is voornemens dit totaal geheel te benutten. De verdeling over de 3 regio's wordt dan: Radio Noord en Radio Oost ieder 10 uur per week en Radio Friesland 7 uur en 20 minuten per week.

De voor het experiment Hilversum IV beschikbaar gestelde zendtijd is per 1 januari 1979 definitief toegewezen. De ondergetekende heeft daartoe besloten omdat op grond van de resultaten van de door de NOS uitgevoerde kwantitatieve evaluatie kon worden vastgesteld dat het experimentele programma Hilversum IV in grote lijnen voldeed aan tevoren door het bestuur van de NOS geformuleerde en door mijn ambtsvoorganger goedgekeurde criteria. In november 1978 werd door het NOS-bestuur tevens melding gemaakt van kwalitatieve onderzoeksrapporten van de Programmaraad Radio en van het College van Overleg voor Programmazaken Radio (COPRA), welke zich in positieve zin uitspreken ten aanzien van het behoud van het programma Hilversum IV.

Op grond van de resultaten van de hier genoemde onderzoeksrapporten kan worden geconcludeerd dat er voldoende redenen aanwezig zijn die een definitieve voortzetting van het vierde radioprogramma rechtvaardigen.

Zoals bekend is in de loop van 1979 sprake van verbeterde zendertechnische mogelijkheden door de ingebruikneming van het nieuwe middengolfzendercomplex. Een verlenging van het Hilversum IV programma behoort dan technisch gezien tot de mogelijkheden. De ondergetekende overweegt een uitbreiding van de zendtijd met 3 uur per dag per 1 oktober 1979. De daarmee gemoeide extra kosten bedragen op jaarbasis circa f 2,5 mln. Het bedrag wordt, indien tot uitbreiding wordt besloten, aanvullend beschikbaar gesteld.

De Belgisch-Nederlandse werkgroep die tot taak kreeg de mogelijkheid voor beide landen te onderzoeken om de beschikbare LG-frequentie gemeenschappelijk te gebruiken, zal naar verwachting binnenkort aan de Belgische Minister van Nederlandse Cultuur en aan de ondergetekende advies uitbrengen over onder meer de functie en taak van een gemeenschappelijke radiozender, de programmatische mogelijkheden en de financiële aspecten. Aan de hand van dit advies zal overleg plaatsvinden met de Belgische regering en met de omroep. Te voorzien valt dat het nog geruime tijd zal duren voordat een beslissing over het al dan niet gebruiken van de lange-golffrequentie kan worden genomen.

Reserve regionale omroep

Voor een uiteenzetting van mijn voornemens inzake het door de ondergetekende te voeren beleid met betrekking tot de regionale omroep moge ik verwijzen naar de op 1 mei 1979 gezonden brief aan de Voorzitter van de