is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 231-270, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NOTA VAN TOELICHTING

Met ingang van het uitkeringsjaar 1975 functioneert de verfijning sociale structuur. In de nota van toelichting bij het desbetreffende besluit is aangegeven dat de verfijning gezien werd als een eerste stap. Zowel ten aanzien van de bij de verfijning te hanteren maatstaf voor de sociale structuur van een gemeente als ten aanzien van het bedrag per eenheid van de verfijning bestond behoefte aan nader onderzoek en evaluatie. De stijging in de bijstandsuitgaven en de kosten van de Wet Sociale Werkvoorziening, alsmede de ongelijkmatige spreiding daarvan over de gemeenten zijn mede aanleiding geweest voor het nader onderzoek en de evaluatie. Het verwezenlijken van het nader onderzoek en de evaluatie is te meer nodig gebleken door de problematiek die in Zuid-Limburg is ontstaan als gevolg van de mijnsluitingen. De interdepartementale werkgroep die de financiële positie van de in het herstructureringsgebied gelegen gemeenten bestudeerd heeft, is tot de conclusie gekomen dat de financiële problematiek van de genoemde gemeenten vooral het gevolg is van de door de mijnsluitingen gewijzigde sociale structuur van deze gemeenten. De werkgroep heeft zich vervolgens gericht op een evaluatie van de verfijning sociale structuur.

Bij de toepassing van die verfijning geldt als maatstaf voor de sociale structuur van een gemeente in enig jaar het gemiddelde van de aantallen personen waaraan ten laste van de gemeente een periodieke uitkering is toegekend in de twee aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren. Onder een periodieke uitkering wordt in dit verband verstaan: een periodieke uitkering toegekend ingevolge de Algemene Bijstandswet, voorzover geen betrekking hebbend op thuiswonende personen van 65 jaar en ouder, een daarop gebaseerde uitvoeringsregeling of de Wet Werkloosheidsvoorziening, dan wel een loonbetaling aan een werknemer in de zin van de Wet Sociale Werkvoorziening, welke voor rijkssubsidie in aanmerking komt. De hoogte van de uitkering op grond van de verfijning wordt bepaald door het gemiddeld aantal uitkeringsgerechtigden in de gemeente te verminderen met een normaal te achten aantal, welk aantal berekend wordt met behulp van een landelijk toetsingspercentage.

Het onderzoek van de werkgroep heeft tot de conclusie geleid dat de genoemde maatstaf voor de sociale structuurvan een gemeente goed aansluit bij tussen de gemeenten bestaande uitgavenverschillen op het gebied van het maatschappelijk werk, de personeelskosten van sociale diensten, de kosten van het ten laste van de gemeenten blijvende deel van de bijstandsuitgaven en de kosten van de Wet Sociale Werkvoorziening. Tevens is gebleken dat er geen wijzigingen nodig zijn in de manier waarop het landelijk toetsingspercentage wordt vastgesteld.

Bij het tot stand komen van de verfijning bestond slechts een globale indruk over de mate waarin een zwakke sociale structuur behoefte doet ontstaan aan extra algemene middelen. Op grond van de toen beschikbare gegevens is het bedrag per uitkeringsgerechtigde die boven het gemiddelde uitgaat gesteld op f 120 (exclusief uitkeringspercentage).

Het nader onderzoek heeft uitgewezen dat een bedrag van f 170 (exclusief uitkeringspercentage) een betere aansluiting geeft bij de behoefte aan extra algemene middelen die het gevolg is van een zwakke sociale structuur.

Het nader onderzoek heeft vooralsnog geen nieuwe maatstaf, c.q. een uitbreiding van de bestaande maatstaf voor de sociale structuurvan een gemeente opgeleverd. Een belangrijk knelpunt hierbij is de onvoldoende statistische registratie per gemeente van gegevens welke wellicht mede indicatief zijn voor de sociale structuur van een gemeente, zoals bijvoorbeeld het aantal arbeidsongeschikten per gemeente, voorzover niet reeds begrepen in het aantal werknemers in de zin van de Wet Sociale Werkvoorziening. De statistische verslaglegging over het aantal bijstandsgenietenden per gemeente zal door een gewijzigde opzet van deze verslaglegging ingaande 1978 verbeteren.