is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 271-310, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ming dan wel gezien de beloning der bewezen diensten behoren bij de betrekking, waaruit na ontslag recht op invaliditeitspensioen bestaat. Dit lid vindt slechts toepassing tot de eerste dag van de maand, waarin de leeftijd van 65 jaar is of zou zijn bereikt.»

S

1. In artikel F 9 wordt met vernummering van het derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid een nieuw derde lid ingevoegd, luidende: «3. Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt, zoveel doenlijk, rekening gehouden met: a. door deze algemene invaliditeit verminderde gelegenheid tot het verkrijgen van arbeid als bedoeld in het vorige lid; b. verkregen nieuwe bekwaamheden. De directie is bevoegd de toepassing van het bepaalde onder a te beperken tot een bepaalde termijn, welke te allen tijde kan worden herzien. De directie is voorts bevoegd de toepassing van het bepaalde onder a achterwege te laten, indien arbeid als bedoeld in het vorige lid beschikbaar is uit hoofde van de Wet Sociale Werkvoorziening.» 2. Aan het tot vijfde lid vernummerde vierde lid van artikel F 9 wordt, met wijziging van de punt achter de laatste volzin in een komma, de volgende zinsnede toegevoegd: «waarbij echter buiten beschouwing wordt gelaten iedere middelsom voor een dienstlijn die is gelegen vóór een onderbreking van de diensttijd van langer dan een jaar.» 3. Aan artikel F 9 worden de volgende leden toegevoegd: «6. In afwijking van het vierde lid is de aanvulling, indien de invaliditeitsgraad 80% of meer bedraagt en de gepensioneerde ambtenaar in een althans voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid, welke geregeld oppassing en verzorging nodig heeft, verkeert, voor de duur van die hulpbehoevendheid, doch uiterlijk tot het tijdstip vermeld in de laatste zin van het eerste lid, gelijk aan het bedrag dat nodig is om het pensioen te verhogen tot 100% van de in het vijfde lid bedoelde middelsom, indien en voor zover de som van het invaliditeitspensioen en de aanvulling een bedrag van 261 maal het in het eerste lid van artikel 9 der Coördinatiewet Sociale Verzekering bedoelde maximum dagloon niet overschrijdt. Het bepaalde in de vorige volzin vindt geen toepassing, indien de betrokkene in een inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten laste van een verzekering inzake ziektekosten komen. 7. Onverminderd het bepaalde in het vierde en zesde lid bedraagt het invaliditeitspensioen, met inbegrip van de eventueel daarop verleende aanvulling, uit een volledige betrekking, indien de invaliditeitsgraad 80% of meer bedraagt, uiterlijk tot het tijdstip vermeld in de laatste zin van het eerste lid, steeds ten minste 261 maal 80% van het voor de toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering geldende minimum dagloon. Onze Minister kan regelen stellen voor de uitvoering van dit lid. 8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het bepaalde in de vorige leden nadere en zo nodig afwijkende regelen worden gesteld.»

T

1. In artikel F 10 vervalt het tweede lid en wordt het derde lid vernummerd tot tweede lid. 2. Aan artikel F 10 wordt een nieuw derde lid toegevoegd, luidende: «3. Het bepaalde in artikel F 11, derde lid, is van overeenkomstige toepassing bij ambtshalve toekenning of wijziging van de aanvulling.»