is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 271-310, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

f. de uitkering krachtens of overeenkomstig de Interimregeling ziektekosten rijksambtenaren. 7. De inkomsten, bedoeld in het vierde lid, worden indien de laatste dag van het jaar, bedoeld in het vijfde lid, ligt: a. voor 1 januari 1966, geacht niet minderte bedragen dan het krachtens een vroegere militaire pensioenwet op bedoelde laatste dag geldende minimum bedrag van de pensioengrondslag; b. na 31 december 1965 doch voor 1 januari 1968, geacht niet minderte bedragen dan f 6462; c. na 31 december 1967 doch voor 1 januari 1970, geacht niet minderte bedragen dan f 7703; d. na 31 december 1969, geacht niet minderte bedragen dan f 9428.

Overigens worden de inkomsten, indien zij uit loondienst zijn verkregen, inde gevallen, waarin dienaangaande door of vanwege de overheid of een publiekrechtelijk lichaam bindende regelen zijn vastgesteld of goedgekeurd, niet tot een hoger bedrag in aanmerking genomen dan bij die regelen is bepaald, tenzij door belanghebbende uit hoofde van zijn arbeidsverhouding in de regel jaarlijks een in die regelen niet opgenomen gratificatie of daarmede overeenkomende uitkering wordt genoten, in welk geval laatstbedoeld bedrag met het bedrag van die gratificatie of daarmede overeenkomende uitkering wordt vermeerderd, een en ander onverminderd het vorige lid.

8. Voor de toepassing van het vierde lid wordt de reservist of de dienstplichtige, a. die voor het tijdstip, bedoeld in het vijfde lid, geen beroep of bedrijf heeft uitgeoefend, doch wel een vakopleiding heeft voltooid of nagenoeg voltooid, geacht in het jaar, bedoeld in het vijfde lid, het beroep of bedrijf, waarop die opleiding was gericht, te hebben uitgeoefend, of b. die voor het tijdstip, bedoeld in het vijfde lid, geen beroep of bedrijf heeft uitgeoefend, desniettemin geacht een beroep te hebben uitgeoefend, waaruit hij in het jaar, bedoeld in het vijfde lid, inkomsten heeft genoten tot een bedrag gelijk aan het bedrag dat inkomsten krachtens het vorige lid, eerste volzin, geacht worden in dat jaar ten minste te bedragen. 9. Indien met toepassing van het vierde lid, de inkomsten uit hoofde van beroep of bedrijf moeten worden berekend over een jaar liggende vóór 1 januari 1947, worden, met handhaving overigens van de omstandigheden, waarin de belanghebbende in dat jaar verkeerde, die inkomsten berekend over het jaar 1946. 10. De berekeningsgrondslag voor de reservist en de dienstplichtige gaat een bedrag van f 65 000 niette boven. 11. Wij behouden Ons voor bij algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften te geven met betrekking tot de vaststelling van de berekeningsgrondslag naar inkomsten uit hoofde van beroep of bedrijf. 12. De militair of de ontslagen militair, die meent naast zijn recht op pensioen recht of opnieuw recht te kunnen doen gelden op een invaliditeitsverhoging, dient daartoe bij Ons een schriftelijke aanvraag in. Wij behouden Ons voor de invaliditeitsverhoging, waarop recht bestaat op de dag van ingang van het pensioen ambtshalve toe te kennen. 13. Indien de gepensioneerde van mening is, dat zijn toestand ten gevolge van invaliditeit met dienstverband, als bedoeld in artikel E 11, zodanig is veranderd, dat hij recht heeft op een hogere invaliditeitsverhoging, kan hij bij Ons een schriftelijke aanvraag daartoe indienen. 14. Onze Minister doet een onderzoek instellen met het oog op de beantwoording van de vraag of de gepensioneerde in aanmerking komt voor een invaliditeitsverhoging of voor een hogere invaliditeitsverhoging. Aan de hand van de uitslag van dat onderzoek nemen Wij een beslissing. Indien deze beslissing leidt tottoekenning van een invaliditeitsverhoging dan wel van een hogere invaliditeitsverhoging, wordt daarbij de termijn, voor welke deze wordt toegekend, vastgesteld. De invaliditeitsverhoging wordt voor de eerste maal voor een termijn van ten minste één jaar en ten hoogste 5 jaren toegekend.