is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 366-400, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten gevolge hiervan dient - behoudens in een vijftal te dezen niet ter zake doende gevallen - op elke aanvraag of elk verzoek, ongeacht of de aanvraag casu quo het verzoek vóór of na 23 december 1974 is ingediend, afwijzend beslist te worden, tenzij - zoals gesteld in de laatste volzin van artikel I, sub A, van Uw besluit van 11 juni 1975- toepassing van deze regel in bijzondere gevallen zou leiden tot een beslissing die niet in overeenstemming zal zijn met het algemeen vervoerbelang.

Gevallen, waarin sprake is van dit laatste, dienen te worden aangemerkt als dermate bijzonder, dat alsdan een uitzondering gemaakt dientte worden op het beginsel om geen uitbreiding te geven aan het totale, reeds vergunde, laadvermogen voor het verrichten van ongeregeld vervoer met vrachtauto's.

Bij de toepassing van de - bij Uw besluit van 11 juni 1975, sedertdien gewijzigd, vastgestelde - nadere richtlijn is allereerst aan de orde geweest de vraag, in hoeverre het algemeen vervoerbelang zich ertegen zou verzetten, indien in beroep gunstig beslist zou worden op aanvragen casu quo verzoeken, ten aanzien waarvan door de Commissie Vervoervergunningen vóór 23 december 1974 een beslissing in eerste aanleg is genomen. Hieromtrent heeft mijn ambtsvoorganger destijds te kennen gegeven dat het onbillijk zou zijn in dergelijke gevallen, waarin de beslissing in eerste aanleg is genomen op een tijdstip waarop nog geen enkele nadere beperking ten aanzien van de vergunningverlening van kracht was, in beroep op strakke wijze aan de - eerst op 2 augustus 1975 van kracht geworden - nadere richtlijn te toetsen.

Op grond hiervan is het standpunt ingenomen dat gevallen, als evenbedoeld, aangemerkt kunnen worden als bijzonder geval, op grond waarvan een uitzondering op de regel geen uitbreiding van het totale vergunde laadvermogen te geven, kan worden toegestaan, indien is komen vast te staan, dat met het te vergunnen laadvermogen voorzien wordt in een als reëel aan te merken behoefte aan vervoergelegenheid. Dit heeft ertoe geleid, dat in een aantal gevallen in beroep aan de betreffende appellanten alsnog het gevraagde laadvermogen (gedeeltelijk) is vergund.

Nadien is actueel geworden de vraag, of het niet in strijd zou zijn met het algemeen vervoerbelang, indien toepassing van de nadere richtlijn zou leiden tot afwijzing van aanvragen casu quo verzoeken, welke zijn ingediend vóór 23 december 1974, doch waarop eerst na die datum een beslissing in eerste aanleg is genomen. Bij de beantwoording van deze vraag is mijns inziens van belang dat in deze gevallen gezegd kan worden dat de aanvrager of verzoeker — gezien het feit dat op het tijdstip, waarop de aanvraag op het verzoek is ingediend, nog geen enkele nadere beperking ten aanzien van de vergunningverlening van kracht was - er bij de indiening van de aanvraag of het verzoek op kon vertrouwen, dat de aanvraag of het verzoek getoetst zou worden aan de te dien tijde geldende eerste volzin van II.C.4 van de Richtlijnen Goederenvervoer.

Gezien dit laatste, en gelet op het feit, dat het algemeen vervoerbelang vordert dat het belang ener rechtvaardige en - ook uit een algemeen maatschappelijk oogpunt - evenwichtige behartiging van de onderscheidene bij het vervoer van goederen betrokken belangen niet wordt geschaad, zijn mijns inziens in beginsel termen aanwezig om de hier aan de orde zijnde gevallen aan te merken als bijzondere gevallen, als bedoeld in de laatste volzin van artikel I, sub A, van uw besluit van 11 juli 1975.

Gelet op de thans nog steeds bestaande overcapaciteit (naar het oordeel van de Commissie Vervoervergunningen tussen de 100 000 en 130 000 ton) in het ongeregeld beroepsgoederenvervoer over de weg, welke ertoe dwingt zo min mogelijk uitbreiding te geven aan het totale vergunde laadvermogen voor het verrichten van ongeregeld vervoer met vrachtauto's, ben ik destijds evenwel tot de conclusie gekomen dat in die gevallen, waarin aanvragen en verzoeken vóór 23 december 1974 zijn ingediend, doch waarop na 23 december 1974 een beslissing in eerste aanleg is genomen, eerst dan voldoende termen aanwezig geacht konden worden om dergelijke gevallen aan te merken als bijzonder geval, als vorenbedoeld, indien aanneme-