is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 401-450, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

In de toelichting bij het Besluit zwavelgehalte brandstoffen (Stb. 1974, 549) is opgemerkt dat, ten einde de totale zwaveldioxide (S02>-uitworp niet te doen toenemen, verdere reductie van het zwavelgehalte van zware stookolie omstreeks het eind van de jaren zeventig noodzakelijk zal zijn. Daarbij werd op basis van toen bestaande schattingen gedacht aan een gehalte van 1,5% of lager.

Aan de vermindering van de S02-uitworp en, in verband daarmee, aan de verlaging van het zwavelgehalte van zware stookolie, is in het Indicatief Meerjaren Programma 1976-1980 ter bestrijding van de luchtverontreiniging (IMPL) nadere aandacht gegeven. In het IMPL is geconstateerd dat indien geen maatregelen zouden worden getroffen de uitworp van zwaveldioxide aanzienlijk zal toenemen. Die toename zou, bij de in het IMPL gehanteerde energieverbruiksprognose, plaatsvinden ten gevolge van de overschakeling van aardgas op andere fossiele brandstoffen, maar vooral ten gevolge van de stijging van het energieverbruik die zou moeten worden gedekt door olie en steenkool. Daarbij is opgemerkt dat dan al in het begin van de jaren tachtig het emissiepeil van 1965, dat tot dusverre het hoogste was, weer zal zijn bereikt, hetgeen in een aantal gebieden, met name in Zuid-Holland, overschrijding van de door de Gezondheidsraad voor zwaveldioxide geadviseerde grenswaarden tot gevolg zal kunnen hebben. Om die reden, aldus het IMPL, zal het beleid erop gericht zijn «de uitworp zo veel mogelijk te stabiliseren op het gemiddelde niveau sinds 1970, dat is circa 500 mln. kg per jaar». «Bij het genoemde niveau», zo wordt vervolgd, «kan worden voorkomen dat de door de Gezondheidsraad voorgestelde grenswaarden ergens in Nederland worden overschreden».

In verband met het bovenstaande is in het IMPL het voornemen geformuleerd in 1978 het zwavelgehalte van zware stookolie, landelijk dan wel regionaal, op 2 % te brengen.

Onderbouwing uitworpplafond

Naar aanleiding van hetgeen dienaangaande in het advies van de Raad inzake de luchtverontreiniging nopens het onderhavige besluit (Stcrt. 1978, nr. 247) is gesteld, volgt hierna een samenvatting van de onderbouwing van het uitworpplafond. In het SC> 2 -beleidskaderplan, dat thans wordt voorbereid, wordt daar nader op ingegaan.

Ten eerste wordt, zoals hierboven al is vermeld, zodoende een aanvaardbaar patroon van S02-concentratie in Nederland gehandhaafd. Bij een uitworp oplopend van 500 tot en met 800 mln. kg SO 2 p.j. neemt het aantal personen in Nederland dat aan een S02-concentratie hoger dan de door de Gezondheidsraad geadviseerde grenswaarde wordt blootgesteld, snel toe (tot een aantal in orde van grootte van 1 mln. bij 800 mln. kg). Bij een uitworp van 500 tot 1000 mln. kg zal aanmerkelijke schade aan ecosystemen in landelijke gebieden gaan optreden. Daarbij dient opgemerkt te worden dat zelfs bij handhaving van het gekozen uitworpplafond schade aan gevoelige plantensoorten in deze gebieden niet kan worden voorkomen.

Ten tweede worden met het stellen van een beperking aan de uitworp van SO 2 in het algemeen alle verschijnselen die daarmee samenhangen, begrensd. Genoemd kunnen worden de natte en droge depositie van SO 2 op korte afstand van de bron, de omzetting tot zwavelzuur en sulfaten, het deelnemen aan fotochemische processen en het transport over lange afstanden. Hieronder is mede begrepen het probleem van de zure neerslag. De schadelijke eigenschappen van de produkten van volgreacties zijn nog onvoldoende bekend voor normstelling. Een deel van de schadelijke werking van SO 2 vloeit voort uit de aanwezigheid van deze produkten.