is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 401-450, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. het verrichten van diensten op het onder4 genoemde gebied aan of ten behoeve van overheidsinstanties en aan particulieren; 6. het verlenen van steun aan de auteur van het geschiedwerk «Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog». Artikel 4. (Verantwoordelijkheid wetenschappelijk onderzoek). 1. Onze minister heeft geen bemoeienis met de inhoud van het ten laste van de begroting van het instituut verrichte wetenschappelijk onderzoek. De verantwoordelijkheid voor de onderzoekresultaten en de openbaar gemaakte weergave van die onderzoekresultaten berust uitsluitend bij de onderzoeker. 2. Onze minister kan nadere regelen stellen omtrent de eventuele toekenning en vaststelling van een financiële tegemoetkoming aan een onderzoeker die in opdracht van de overheid schrijft en ter zake van de inhoud van zijn werk burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld. Artikel 5. (Bestuur). 1. De algemene leiding van het instituut berust bij het bestuur. Het aantal leden bedraagt drie of vijf. Het bestuur is aan Onze minister verantwoording verschuldigd. Het bestuur verstrekt aan Onze minister desgevraagd of, indien het daartoe redenen aanwezig acht eigener beweging, alle inlichtingen en bescheiden. 2. De leden van het bestuur worden door Ons voor vier ja ren benoemd op voordracht van Onze minister; zij kunnen tweemaal opnieuw worden benoemd. De leden van het bestuur worden door Ons, op voordracht van Onze minister, geschorst en tussentijds ontslagen. Het bestuur adviseert Onze minister omtrent de benoeming van nieuwe bestuursleden en omtrent een door Onze minister uit zijn midden aan te wijzen voorzitter-lid en secretaris-lid. 3. Tussentijds ontslag vindt in ieder geval plaats, wanneer een lid de leeftijd van zeventig jaren heeft bereikt. 4. Onze minister kan aan de bestuursleden een vergoeding toekennen voor de door hen verrichte werkzaamheden. 5. De bestuursleden die in functie zijn op het moment van het in werking treden van dit besluit, worden geacht voor de eerste maal te zijn benoemd voor een periode van vier jaren vanaf de dag van die inwerkingtreding. 6. Het bestuur stelt een rooster van aftreden op en stelt Onze minister hiervan in kennis. Artikel 6. (Commissie van Bijstand). 1. Het bestuur wordt bijgestaan door een commissie van bijstand. De Commissie van Bijstand heeft een algemeen adviserende taak ten aanzien van het maatschappelijk functioneren van het instituut. De commissie kan zich tot Onze minister wenden door tussenkomst van het bestuur. 2. Hét aantal leden van de commissie bedraagt ten minste vijf en ten hoogste veertien. De leden van de commissie worden door Ons voor vier jaren benoemd op voordracht van Onze minister, gehoord de commissie, en rekening houdend met de in het eerste lid omschreven taak; zij kunnen opnieuw worden benoemd. De leden van de commissie worden door Ons geschorst en tussentijds ontslagen op voordracht van Onze minister, gehoord de commissie. 3. Tussentijds ontslag vindt in ieder geval plaats, wanneer een lid de leeftijd van twee en zeventig jaren heeft bereikt. 4. De commissie wijst uit haar midden een voorzitter en een secretaris aan. 5. De leden van de commissie, die in functie zijn op het moment van het in werking treden van dit besluit, worden geacht voor de eerste maal te zijn benoemd voor een periode van vier jaren vanaf de dag van die inwerkingtreding. 6. De commissie stelt een rooster van aftreden op en stelt Onze minister hiervan in kennis. Artikel 7. (Directeur). 1. De dagelijkse leiding van het instituut berust bij de directeur. Hij oefent deze taak uit overeenkomstig de richtlijnen van het bestuur, waaraan hij verantwoording verschuldigd is.