is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 401-450, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D

Artikel 22, tweede lid, wordt gelezen:

«2. In geval zij toepassing hebben gegeven aan het eerste lid, verklaren gedeputeerde staten de aanvrager niet-ontvankelijk, indien de aanvraag, ingediend met het oog op de bedoelde verandering, geen betrekking heeft op een vergunning van de aan het slot van dat lid bedoelde strekking.».

E

Artikel 23 vervalt.

F

Artikel 24 wordt gelezen:

«Artikel 24

Hoofdstuk 3 van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne is van toepassing met betrekking tot de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag om een vergunning.».

G

Artikel 25 wordt gewijzigd als volgt.

In het eerste lid wordt in plaats van «en voorts, indien verlening van een vergunning wordt overwogen, omtrent het ontwerp daarvan» gelezen: «en omtrent het ontwerp van de beschikking daarop».

Na het tweede lid wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

«3. Bij algemene maatregel van bestuur worden overheidsorganen aangewezen, die - anders dan als adviseurs - overeenkomstig de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne eveneens bij de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag worden betrokken.».

H

De artikelen 30, 31 en 32 vervallen.

I

Artikel 33, tweede lid, wordt gelezen:

«2. Hoofdstuk 4 van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne is van toepassing met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking als bedoeld in het eerste lid.».

J

Artikel 34 wordt gewijzigd als volgt.

Onder vernummering van het derde lid tot vierde lid, wordt een nieuw derde lid ingevoegd, luidende:

«3. Hoofdstuk 4 van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne is van toepassing met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking als bedoeld in het eerste lid, onder b.».

Het vierde lid (nieuw) wordt gelezen:

«4. Gedeputeerde staten gaan tot een intrekking krachtens het eerste lid, onder c, niet over zonder aan de vergunninghouder de gelegenheid te hebben geboden binnen een daartoe te bepalen termijn van ten minste twee weken schriftelijk of mondeling bezwaren tegen de intrekking aan hen kenbaar te maken.».