is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 401-450, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Raad van State, Afdeling voor de geschillen van bestuur, heeft vervolgens op 9 november 1978 een nader advies (nr. 3104/76/138) uitgebracht, welk nader advies op 10 november werd ontvangen en waarvan de inhoud als volgt luidt:

«Bij brief van 25 juli 1978, C.G.V., nr. A-1 /V 29735, inzake het beroep van mevrouw J. Rougoor-Doeleman, handelende onder de naam Transportbedrijf F. W. J. Rougoor, te Zutphen, tegen de beschikking van de Commissie Vervoervergunningen van 16januari 1975, nr. GGI. 4848-0.21.414, heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat aan de Raad van State, Afdeling voor de geschillen van bestuur, medegedeeld bedenkingen te hebben tegen het bij zijn advies gevoegde ontwerp-besluit.

De Afdeling, voornoemd, moge naar aanleiding van de inhoud van deze brief van de Staatssecretaris opmerken, dat ingevolge het in februari 1976 afgesloten ambtelijk overleg ten aanzien van gevallen als deze -zeventig in totaal - was overeengekomen, dat nog een beoordeling naar de - mede door de bedrijfsresultaten bepaalde-vervoerbehoefte zou moeten plaatsvinden.

De Afdeling moge er voorts op wijzen, dat bij Uwer Majesteits besluiten van 10 januari 1978, nr. 24, 14 april 1977, nr. 18, 8 maart 1978, nr. 119, en 21 februari 1977, nr. 25, eveneens op grond van gunstige bedrijfsresultaten in de jaren 1975 en 1976, derhalve geruime tijd na de indiening van de aanvragen casu quo verzoeken, de beroepen gegrond zijn verklaard.

Het betrof hier tevens gevallen, behorende tot de bedoelde categorie van zeventig beroepen.

Weliswaar betreft het hier gevallen waarin de bestreden beschikking door de Commissie Vervoervergunningen niet vóór de datum van 23 december 1974 is genomen, doch de Afdeling kan niet inzien, dat deze omstandigheid tot het hanteren van een andere beoordelingsmaatstaf zou moeten leiden. Op bovengenoemde datum trad het gestelde onder II.C.4, tweede volzin, in werking.

Deze beperking ten aanzien van de vergunningverlening werd echter uitdrukkelijk alleen van toepassing verklaard op aanvragen en verzoeken welke van die datum af zouden worden ontvangen.

Op de onderwerpelijke aanvraag, die van 29 augustus 1974 dateert, was derhalve ten tijde van de bestreden beschikking van de commissie geen enkele nadere beperking van toepassing. Terecht is dan ook de commissie bij haar beschikking van een toetsing aan richtlijn II.C.4, eerste volzin, uitgegaan.

Gelet op de bedrijfsresultaten, die de betrokken onderneming in 1976 blijkens de bij brief van de Directeur-Generaal van het Verkeer van 1 december 1977 nader ingekomen inlichtingen heeft behaald, kan de Afdeling dan ook niet tot een ander oordeel komen dan dat ware te beslissen overeenkomstig de strekking van het bij haar advies van 31 januari 1978, nr. 3104/111 (1976), gevoegde ontwerp-besluit, zij het, dat zij heeft gemeend daarin alsnog redactionele wijzigingen te moeten aanbrengen.

De Afdeling moge Uwe Majesteit dan ook in overweging geven overeenkomstig het aldus gewijzigde ontwerp-besluit te beslissen.».

De voorzitter van de Afdeling voor de geschillen van bestuur, mr. J. M. Kan

Bij dit nader advies heeft de Raad van State, Afdeling voor de geschillen van bestuur, een ontwerp-besluit overgelegd, waarvan de rechtsoverwegingen als volgt luiden:

Overwegende dat J. Rougoor-Doeleman, handelende onder de naam Transportbedrijf F. W. J. Rougoor, op 29 augustus 1974 heeft verzocht haar een vergunning te verlenen voor het uitvoeren van ongeregeld vervoer met vrachtauto's tot een totaal laadvermogen van lOton;