is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 401-450, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de Commissie Vervoervergunningen deze aanvraag bij haarthans bestreden beschikking van 16 januari 1975 heeft afgewezen op grond van overwegingen, welke hierop neerkomen, dat niet aannemelijk is geworden, dat de te verwachten vrachtopbrengsten de kosten voor een bedrijf als dat van de appellante zullen kunnen dekken en uit dien hoofde de te verstrekken vervoeropdrachten geen reële vervoerbehoefte als bedoeld in richtlijn II.C.4, vertegenwoordigen;

dat weliswaar inmiddels Ons besluit van 11 juli 1975, Staatsblad 421, in werking is getreden, doch dat, gelet op vorengenoemd tijdstip van indiening, de aanvraagster er redelijkerwijze op mocht vertrouwen, dat haar verzoek zou worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in de toenmaals van kracht zijnde eerste volzin van het bepaalde onder II.C.4 van de Richtlijnen Goederenvervoer;

dat nog steeds een onevenwichtige verhouding tussen het totale vergunde laadvermogen en de totale behoefte aan vervoergelegenheid valt waar te nemen;

dat deze situatie in het ongeregeld vervoer thans van dien aard is, dat uitbreiding van het totaal vergunde laadvermogen slechts kan worden gegeven, indien het algemeen vervoerbelang zich hiertegen in verband met het streven om de vervoermarkt zo gezond mogelijk te houden in bijzondere gevallen niet verzet;

dat op grond van de ambtsberichten en de op verzoek van de Afdeling, voornoemd, ingewonnen nadere inlichtingen moet worden aangenomen, dat de verhouding tussen kosten en opbrengsten in het bedrijf van de appellante in het jaar 1976 in verhouding tot 1975 een aanzienlijke verbetering heeft te zien gegeven;

dat, aangezien onder deze omstandigheden kan worden verwacht, dat de appellante van evengenoemd laadvermogen zonder benadeling van andere op de vervoermarkt optredende vervoerondernemers een blijvend intensief en redelijk winstgevend gebruik zal maken, zich een bijzonder geval als evenbedoeld voordoet;

dat onder deze omstandigheden dan ook termen aanwezig zijn het verzoek in evenbedoelde zin alsnog in te willigen;

dat de bestreden beschikking mitsdien niet kan worden gehandhaafd;

Gezien de Wet Autovervoer Goederen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Met vernietiging van de beschikking van de Commissie Vervoervergunningen van 16 januari 1975, nr. GGI. 4848-0.21.414, overeenkomstig het gewijzigde verzoek van de appellante, aan J. Rougoor-Doeleman, handelende onder de naam Transportbedrijf F. W. J. Rougoor, te Zutphen, vergunning te verlenen voor het uitvoeren van ongeregeld vervoer met vrachtauto's met een laadvermogen van ten hoogste 25 ton.

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit.

Dit nader advies van de Raad van State, Afdeling voor de geschillen van bestuur, en het daarbij overgelegde ontwerp-besluit hebben -zoals uit het onderstaande moge blijken - de gerezen bedenkingen niet kunnen wegnemen.

In het nader advies merkt de Raad van State op dat «ingevolge het in februari 1976 afgesloten ambtelijk overleg ten aanzien van gevallen als het onderhavige (waarin een aanvraag of verzoek inzake vergunning voor het verrichten van ongeregeld vervoer is ingediend vóór 23 december 1974) was overeengekomen dat nog een beoordeling naar de - mede door de bedrijfsresultaten bepaalde - vervoerbehoefte zou moeten plaatsvinden». Ten aanzien hiervan merk ik het volgende op.