is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 401-450, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat deze beperking ten aanzien van de vergunningverlening door de Commissie Vervoervergunningen - blijkens haar Bekendmaking van 19 december 1974- uitdrukkelijk slechts van toepassing is verklaard op aanvragen en verzoeken welke vanaf 23 december 1974 zouden worden ontvangen.

De Raad van State wijst er in het nader advies dan ook op dat ten tijde, waarop de beslissing, waarvan beroep, is genomen (16 januari 1975), ten aanzien van de onderwerpelijke - van 29 augustus 1974 daterende - aanvraag geen enkele nadere beperking van toepassing was en dat de Commissie dan ook bij haar beschikking terecht is uitgegaan van een toetsing aan richtlijn II.C.4, eerste volzin.

Hieromtrent merk ik op dat ook ik van oordeel ben dat de Commissie, gezien de inhoud van haar Bekendmaking van 19 december 1974 en gelet op de datum, waarop zij de bestreden beschikking heeft genomen, de aanvraag terecht heeft getoetst aan het gestelde in de eerste volzin van II.C.4 van de Richtlijnen Goederenvervoer.

Gelet echter op de in het voorgaande reeds weergegeven inhoud van Uw -nadien tot stand gekomen - besluit van 11 juli 1975, ten gevolge waarvan zowel in eerste aanleg, als in beroep aan het gestelde in de eerste en tweede volzin van II.C.4 van de Richtlijnen Goederenvervoer geen toepassing meer gegeven kan worden, kan te dezen slechts van belang zijn de vraag of in een geval als het onderhavige gesproken moet worden van een bijzonder geval, zodat een uitzondering kan worden toegestaan op de in Uw meergenoemd besluit van 11 juli 1975 neergelegde regel dat geen uitbreiding meer gegeven dient te worden aan het totale vergunde laadvermogen voor het verrichten van ongeregeld vervoer.

Zoals in het vorengaande reeds gezegd, is deze vraag voor mij aanleiding geweest voor diepgaand beraad, waarbij ik destijds, na afweging van de onderscheidene bij het goederenvervoer over de weg betrokken belangen, tot de conclusie gekomen ben dat in een geval als het onderhavige slechts dan een bijzonder geval aanwezig is te achten, indien sprake is van een bij de betrokken ondernemer bestaand «gerechtvaardigd vertrouwen» in de door mij voorgestane betekenis.

Gezien het vorenstaande moge het duidelijk zijn dat- in tegenstelling tot hetgeen de Raad van State van oordeel is - de door appellante in het jaar 1976 behaalde bedrijfsresultaten naar mijn mening niet bij de beslissing in het onderhavige beroep betrokken dienen te worden.

Volledigheidshalve verdient nog vermelding, dat bij beschikking van de Commissie Vervoervergunningen van 21 december 1978, nr. GGI. 05580/C/79.0077, aan mevrouw J. Rougoor-Doeleman, handelende onder de naam Transportbedrijf F. W. J. Rougoorte Zutphen (appellante), tot 21 december 1980 vergunning is verleend voor het verrichten van ongeregeld vervoer met vrachtauto's tot een totaal laadvermogen van 25 ton.

Deze vergunningverlening, welke gebaseerd is op de in Uw besluit van 11 juli 1975 uitdrukkelijk geboden mogelijkheid om reeds vergund laadvermogen van een andere vergunninghouder overte nemen, behoort mijns inziens echter niet betrokken te worden bij de vraag, of in de onderhavige beroepszaak een bijzonder geval, als bedoeld in artikel I, sub A, laatste volzin van Uw besluit van 11 juli 1975, aanwezig geacht kan worden.

Omdat ik aan het vorenstaande de conclusie verbond dat het onderhavige beroep van mevrouw J. Rougoor-Doeleman te Zutphen ongegrond verklaard diende te worden - zulks in afwijking van het advies, respectievelijk het nader advies, van de Raad van State, Afdeling voor de geschillen van bestuur, en de daarbij overgelegde ontwerp-besluiten - ben ik, overeenkomstig artikel 58, tweede lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, in overleg getreden met Uw Minister van Justitie.

Bij dit overleg is vanwege Uw Minister van Justitie naar voren gebracht, dat weliswaar met de door mij ontwikkelde gedachtengang en met het - op basis daarvan - omschreven begrip «gerechtvaardigd vertrouwen» kan worden ingestemd, doch dat hieraan een te beperkte toepassing zou worden gegeven, indien men slechts de behoefte en het rendement op het tijdstip van indiening van de aanvraag casu quo het verzoek in aanmerking zou nemen.