is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 451-500, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

De vraag naar beveiliging van particulieren door particulieren is de afgelopen jaren aanzienlijk gegroeid. Op deze vraag is gereageerd met sterke groei van bestaande beveiligingsorganisaties, maar ook met oprichting van een groot aantal nieuwe particuliere organisaties. Beide groepen maken bij hun werk gebruik van middelen (elektronische apparatuur, voertuigen e.d.) die bij het tot stand komen van de thans geldende voorschriften inzake de toelating van particuliere bewakingsdiensten niet of nauwelijks bekend waren. De ontwikkeling van met name de particuliere alarmcentrales en de particuliere geld- en waardetransportbedrijven is van recente datum. Beide vallen onder het bereik van artikel 1 van de Wet op de weerkorpsen. Immers, ook zij voldoen aan de daar gegeven omschrijving «iedere organisatie van particulieren, welke gericht is op of voorbereidt tot het in onderling verband verrichten van of deelnemen aan hetgeen tot de taak behoort van weermacht of politie in de handhaving van de uit- en inwendige veiligheid en van de openbare orde en rust». Het uitvoeringsbesluit van deze wet, het Koninklijk besluit van 2 juli 1938 (Stb. 247), bevat behalve bepalingen over weerkorpsen in meer eigenlijke zin (landstorm, burgerwachten) ook een paragraaf (§ V), tot dusver getiteld «Particuliere bewakingsdiensten». Die bestrijkt de particuliere nachtveiligheidsdiensten (nieuwe naam volgens het ontwerp-besluit: particuliere beveiligingsbedrijven) en de particuliere bedrijfsbewakingsdiensten (nieuwe naam: particuliere bedrijfsbeveiligingsdiensten); voorts een niet-gespecificeerde categorie «andere particuliere bewakingsdiensten».

Het ontwerp-besluit geeft nu ook de particuliere alarmcentrales en de particuliere geld- en waardetransportbedrijven een eigen plaats in de regeling. Teneinde de ontwikkeling van nog weer nieuwere soorten van organisaties in elk geval te kunnen blijven opvangen en er de toelating van te kunnen blijven reguleren is wederom een restpost opgenomen, «overige particuliere beveiligingsorganisaties».

Evenals de reeds eerder geregelde beveiligingsbedrijven en bedrijfsbeveiligingsdiensten vinden de twee nieuwe categorieën, nl. de alarmcentrales en de transportbedrijven, hun taak met name in de feitelijke handhaving van de veiligheid van personen en goederen. Hierbij is, door stijging van de personeelskosten, steeds meer de behoefte ontstaan om alarmeringsapparatuur niet alleen als hulpmiddel bij personele bewaking te laten gebruiken, maar zelfs in de plaats van personele bewaking te laten treden.

Voor alle onder § V vallende organisaties, oude en nieuwe, geldt dat zij werken met middelen en methoden die zich snel ontwikkelen. Voor een overheidstoezicht daarop wordt daarom in het ontwerp-besluit een bredere basis gelegd dan tot dusver bestaat. Het stelsel van het ontwerp-besluit is op dit punt als volgt. Aan de Minister wordt opgedragen, een reeks vereisten te formuleren waaraan beveiligingsorganisaties bij de toelating moeten voldoen. De onderwerpen die deze vereisten kunnen betreffen worden in het ontwerp-besluit opgesomd. Teneinde te waarborgen dat de organisatie ook na toelating aan die algemene vereisten blijft voldoen wordt tevens bepaald dat deze normen als voorschrift aan iedere toelating verbonden zullen zijn.

Er is dus een reeks standaardvoorschriften. Vervolgens noemt het ontwerpbesluit een aantal gezichtspunten waaronder de Minister daarenboven de aanvraag om toelating zal hebben te beoordelen; dit kan op zijn beurt leiden tot het opnemen van bijzondere voorschriften in de beslissing tot toelating. Deze gezichtspunten raken voor een gedeelte onderwerpen waaromtrent ook algemene vereisten kunnen worden gesteld; aldus is er ruimte voor het stellen van extra-eisen ten aanzien van het betrokken aspect als de aard van de voorgenomen activiteit van de organisatie daartoe aanleiding geeft. Ook afgezien daarvan geldt, dat de scheiding tussen de algemene vereisten en de ad hoe te stellen eisen niet volstrekt is. Wanneer de bestuurspraktijk inzake het stellen van de eisen ad hoe en het opnemen van bijzondere voorschriften vaste normen oplevert, zal de Minister deze kunnen rangschikken onder de algemene vereisten en zullen zij als standaardvoorschriften kunnen gaan fungeren.