is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 451-500, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij zijn voornemens de totstandkoming van een, voorshands voorlopig en tijdelijk, adviescollege te bevorderen, dat de Minister terzijde kan staan bij zijn toelatings- en intrekkingsbeleid, met inbegrip van de verdere ontwikkeling van de algemene vereisten.

Tegen beslissingen van de Minister inzake toelating en intrekking staat tot dusver beroep op de Kroon open. Het ontwerp vervangt dit door beroep op de Afdeling rechtspraak van de Raad van State, optredend krachtens de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen. Daarbij is mede overwogen dat de artikelen 11 en 12 van de Wet Arob voorzien in eventuele behandeling van het tot de Afdeling rechtspraak gerichte beroepschrift als bezwaarschrift; in dat geval zal volledige heroverweging van de afwijzende beschikking door de Minister plaatsvinden, waarna eventueel alsnog het oordeel van de Arob-rechter kan worden gevraagd. Over de ontvankelijkheid van het beroep op de Afdeling rechtspraak zal van geval tot geval door de Afdeling worden geoordeeld.

Tot verstrakking van het overheidstoezicht op de particuliere beveiligingsorganisaties, en tot precisering van de regeling door vermelding van de alarmcentrales en de geld- en waardetransportbedrijven, is geadviseerd door de «Werkgroep bewaking en beveiliging door particuliere organisaties». Deze werkgroep (voorzitter mr. J. J. Kroeskamp) werd in 1974 door de ambtsvoorganger van de eerste ondergetekende ingesteld en heeft in 1975 een interimrapport, in 1977 haar eindrapport uitgebracht. Beide rapporten zijn indertijd openbaar gemaakt. De werkgroep adviseerde tot de thans voorgestelde wijziging van het Koninklijk besluit van 1938, in afwachting van de totstandkoming van nieuwe formele wetgeving die meer op het onderwerp «beveiligingsorganisaties» is toegesneden dan de Wet op de weerkorpsen. De bestudering van die wetswijziging is ter hand genomen.

Artikelen

Artikel 1, tweede lid. De verschillende hierboven bedoelde particuliere instellingen werden in de uitvoeringsregeling tot dusver aangeduid met de verzamelnaam «particuliere bewakingsdiensten». Het ontwerp noemt ze «particuliere beveiligingsorganisatie». De term «organisatie» sluit beter aan bij het woordgebruik van de Wet op de weerkorpsen; de term «beveiliging» drukt uit dat de geboden bescherming meer dan bewaking bevat. De nieuwe verzamelnaam keert terug in § V.

Artikel 17. Het eerste lid is, behoudens de naamswijziging van de organisaties, gelijk aan het bestaande artikel 17, eerste lid. In het tweede lid zijn onder c en d de nieuw vermelde alarmcentrales en transportbedrijven te vinden. Ten einde in de snel groeiende beveiligingsbranche enig overzicht te brengen is van elk der vier in artikel 17 genoemde categorieën van organisaties een omschrijving opgenomen. De verdwijning van de aanduiding «nachtveiligheidsdiensten» (voortaan: «beveiligingsbedrijven», onder a) accentueert dat de activiteiten van deze bedrijven tegenwoordig het gehele etmaal beslaan. Uit a is uitgezonderd het beroepsmatig ten behoeve van derden gelden en grote waarden in beperkte omvang vervoeren; de ondernemingen die zich hiermee bezighouden vormen een aparte categorie (d). Bij dit geld- en waardetransport moet voor het begrip «grote waarden van beperkte omvang» gedacht worden aan edelstenen, kunstvoorwerpen, grondstoffen voor de farmaceutische industrie, enz. Geschiedt dit geld- en waardetransport niet beroepsmatig voor derden, maar uitsluitend voor het eigen bedrijf, dan is, indien het bedrijf daarvoor een organisatie in het leven heeft geroepen, voor die organisatie een toelating als bedrijfsbeveiligingsdienst (b) nodig.

Bij «overige particuliere beveiligingsorganisaties» valt te denken aan lijfwachtorganisaties, detectivebureaus, en verder aan alles wat maar onder de termen van artikel 17, eerste lid, te brengen is zonder tot de categorieën van het tweede lid, onder a-d te behoren.