is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 501-550, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in: a. indien daartoe een verzoek is ingediend, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin het verzoek is ingekomen; b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is genomen. 6. De voortzetting van de uitkering wordt gestaakt indien en zolang de belanghebbende niet voldoet aan een uitnodiging van Onze Minister zich te onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of nog sprake is van algemene invaliditeit, bedoeld in het tweede lid.

B

Artikel 8 wordt gewijzigd als volgt:

a. In het eerste lid worden voor de woorden «ten honderd» gelezen: percent. b. Het derde lid vervalt. c. Het vierde lid wordt vernummerd tot derde lid.

C

Een nieuw artikel8a, met als opschrift «Aanspraak op toeslag» wordt ingevoegd, luidende:

Artikel 8a

1. Indien en zolang de belanghebbende uitkering ontvangt, heeft hij aanspraak op een toeslag, welke wordt toegekend en berekend op gelijke wijze als is bepaald in de Kindertoelageregeling overheidspersoneel. Daarbij wordt onder wedde verstaan de laatstelijk genoten wedde, bedoeld in artikel 8. 2. Op de voor een kind berekende toeslag, bedoeld in het vorige lid, wordt in mindering gebracht de kinderbijslag, welke, onder welke benaming ook, elders voor dat kind kan worden ontvangen. 3. De belanghebbende die kinderbijslag, onder welke benaming ook, kan ontvangen, is verplicht daarvan aan Onze Minister mededeling te doen, zo mogelijk onder opgave van het bedrag van die bijslag.

D

Artikel 9 wordt gelezen:

1. De inkomsten, die de belanghebbende geniet uit of in verband met arbeid of bedrijf worden met de uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. Onder inkomsten, bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. Deze verrekening geschiedt aldus, dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag, waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten wedde, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. 2. Indien in het bedrag der inkomsten bedoeld in het vorige lid, is of geacht kan worden te zijn begrepen een vergoeding terzake van de premie Algemene Ouderdomswet en Algemene Weduwen- en Wezenwet, blijft deze vergoeding voor de toepassing van dit artikel buiten beschouwing. 3. De kindertoelage, welke de belanghebbende onder welke benaming ook elders ontvangt, wordt niet aangemerkt als inkomst. 4. Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette uitkering, bedoeld in artikel 7, vierde lid en artikel 7a, kan Onze Minister andere inkomsten aanmerken als te zijn genoten uit of in verband met arbeid of bedrijf.

E

Een nieuw artikel9a wordt ingevoegd, luidende: