is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 501-550, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. De kindertoelage, welke de belanghebbende onder welke benaming ook ontvangt, wordt niet aangemerkt als inkomst. 4. Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette uitkering, bedoeld in artikel 52, vijfde lid en artikel 52a, kan Onze Minister andere inkomsten aanmerken als te zijn genoten uit of in verband met arbeid of bedrijf.

U

Een nieuw artikel 54a wordt ingevoegd, luidende:

Artikel 54a

1. De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enig arbeid of bedrijf terstond mededeling te doen aan Onze Minister onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten, die hij uit die werkzaamheden zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft genoten. Onze Minister geeft nadere voorschriften aangaande het doen van mededelingen door de belanghebbende met betrekking tot de inkomsten uit arbeid of bedrijf. 2. Brengt de aard van de werkzaamheden of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een langere termijn moeten wordt berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het einde van de evenbedoelde termijn. Ten aanzien van deze verrekening is artikel 54 van toepassing, met dien verstande, dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk. 3. Onze Minister kan bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering van de opgave van de belanghebbende afwijken. 4. De belanghebbende, aan wie uitkering is toegekend, wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht erin toe te stemmen, dat allen, die daarvoor naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komen, omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van dit hoofdstuk noodzakelijk zijn.

V

Artikel 59 wordt gelezen:

1. Behoudens het bepaalde in het tweede lid, bedraagt het pensioen voor ieder van de eerste vier jaren, als kamerlid 3,5 percent en voor ieder overig jaar als kamerlid 1,75 percent, in totaal tot een maximum van 70 percent, van de berekeningsgrondslag, zo nodig aangepast naar de regelen vastgesteld bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 105. 2. Indien naast recht op pensioen, bedoeld in het vorige lid, recht bestaat op een of meer pensioenen krachtens de tweede of vijfde afdeling van de wet, komen voor de toepassing van de pensioenberekening naar 3,5 percent per jaar in totaal ten hoogste vier jaren in aanmerking en wordt die berekening voor zover mogelijk toegepast ten aanzien van het pensioen, waarbij die berekening het hoogste bedrag oplevert en overigens ten aanzien van het andere pensioen of de andere pensioenen in volgorde van de hoogte der wedden of berekeningsgrondslag. Voor vergelijking van deze wedde of berekeningsgrondslag worden deze zo nodig aangepast naar de regelen vastgesteld bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 105. 3. Indien het gewezen kamerlid tevens is opgetreden als voorzitter, plaatsvervangend voorzitter dan wel als fractie-voorzitter wordt het pensioen voor ieder jaar dat het gewezen kamerlid als zodanig is opgetreden, verhoogd met 1,75 percent, tot een maximum van 70 percent, van de laatstelijk uit dien hoofde genoten toelage of verhoging der schade! nosstelling, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet van 30 oktober 1968, Stb. 584, aangepast naar de regelen vastgesteld bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 105.