is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 501-550, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

c. gepensioneerd kamerlid: hij die uit hoofde van een aftreden als lid van de Tweede Kamer der StatenGeneraal recht heeft op pensioen krachtens deze afdeling; d. kamerlidtijd: tijd, gedurende welke belanghebbende als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is opgetreden en waarover schadeloosstelling is genoten; e. berekeningsgrondslag: het bedrag van de op de dag vóór het aftreden geldende onbeperkte schadeloosstelling, bedoeld in artikel 1 van de Wet van 30 oktober 1968, Stb. 584, niet inbegrepen de verhoging der schadeloosstelling bedoeld in artikel 4, eerste lid, van evengenoemde wet, aangepast overeenkomstig de regelen vastgesteld bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 7 van meergenoemde wet.

Hoofdstuk 10. De uitkering

Het recht op uitkering

Artikel51. 1. Aan een kamerlid wordt met ingang van de dag van zijn aftreden, indien hij nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, een uitkering toegekend op de voet van de volgende artikelen. 2. Het vorige lid vindt geen toepassing indien de belanghebbende zulks verzoekt dan wel indien hij zonder onderbreking weder als kamerlid optreedt.

Duur van de uitkering

Artikel 52. 1. De uitkering wordt toegekend voor een periode gelijk aan het tijdvak waarin belanghebbende laatstelijkzonder wezenlijke onderbreking kamerlid is geweest, doch ten minste voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van zes jaren. Indien de belanghebbende ten tijde van zijn aftreden als kamerlid de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt en hij ten minste tien jaren zonder wezenlijke onderbreking kamerlid is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip waarop de belanghebbende de leeftijd van 65 jaar bereikt. In afwijking van de eerste volzin wordt de uitkering toegekend voor de duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan drie maanden kamerlid is geweest. 2. Wij beslissen, de Raad van State gehoord, of een onderbreking als wezenlijk moet worden beschouwd. Van een zodanige onderbreking is geen sprake, indien deze ten hoogste twee maanden heeft geduurd. 3. Bij de bepaling van het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, telt niet mede de tijd, gedurende welke de schadeloosstelling als kamerlid nietwerd genoten. 4. In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens artikel 56, tweede lid, onder b, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd. 5. In bijzondere gevallen kunnen Wij, de Raad van State gehoord, bepalen dat de uitkering wordt voortgezet voor een, met inachtneming van artikel 56 vast te stellen termijn, die op dezelfde wijze kan worden verlengd.

Recht op uitkering wegens invaliditeit

Artikel 52a. 1. Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt, geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van het gestelde in artikel 56, de uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van het bepaalde in het derde lid. 2. Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, is hij, die ten gevolge van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid, die voor zijn krachten en bekwaamheid is berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep hem in billijkheid kan worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst verricht heeft op een naburige soortgelijke plaats te verdienen, hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen, van dezelfde soort en van soortgelijke opleiding op zodanige plaats met arbeid gewoonlijk verdienen. 3. De uitkering bedraagt 60 percent van de berekeningsgrondslag bij een algemene invaliditeit van 55 percent of meer en 40 percent van de berekeningsgrondslag bij een algemene invaliditeit van 25 tot 55 percent. Het recht op zodanige uitkering vervalt bij een algemene invaliditeit van minder dan 25 percent. 4. Onze Minister wijzigt ambtshalve of op verzoek van de belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de invaliditeitsgraad. Wijziging van de invaliditeitsgraad wordt vastgesteld op grond van een onderzoek. Onze Minister is bevoegd een nieuw onderzoek in te stellen. 5. Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in: a. indien daartoe een verzoek is ingediend, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin het verzoek is ingekomen; b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is genomen. 6. De voortzetting van de uitkering wordt gestaakt indien en zolang de belanghebbende niet voldoet aan een uitnodiging van Onze Minister zich te onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of nog sprake is van algemene invaliditeit, bedoeld in het tweede lid.

Bedrag van de uitkering

Artikel 53. 1. De uitkering bedraagt gedurende het eerste jaar 80 percent, gedurende het tweede jaar 70 percent en vervolgens 60 percent van de berekeningsgrondslag. 2. Het in het vorige lid bedoelde bedrag wordt vermeerderd met: a. het bedrag van de verhoging van de schadeloosstelling, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet van 30 oktober 1968, Stb. 584, b. het bedrag van de toelage, bedoeld in de artikelen 8 en 9 van de Wet van 30 oktober 1968, Stb. 584, die de belanghebbende op de dag voor zijn aftreden als kamerlid genoot.