is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 501-550, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Herziening, wijziging en herstel

Artikel 122. 1. Onze Minister herziet een door hem genomen beslissing, indien: a. aan die beslissing een feitelijke onjuistheid ten grondslag ligt; b. na die beslissing blijkt dat aan die beslissing andere feiten ten grondslag dienen te worden gelegd. 2. Indien na een beslissing van Onze Minister de feiten waarmede in die beslissing rekening is gehouden zodanig zijn gewijzigd, dat deze beslissing anders zou luiden als zij nog genomen zou moeten worden, wijzigt Onze Minister de beslissing, rekening houdend met de gewijzigde feiten. 3. Onze Minister herstelt een door hem genomen beslissing omtrent toekenning - inbegrepen aanpassing overeenkomstig artikel 105 -, herziening, wijziging of betaalbaarstelling van een pensioen, indien daarin een onjuistheid, anders dan bedoeld in de vorige leden, voorkomt. 4. Onze Minister stelt de belanghebbende in kennis van de gronden, waarop een beslissing, als bedoeld in de vorige leden, steunt. 5. Indien vijfjaren zijn verstreken na de dagtekening van een overeenkomstig de vorige leden voor herziening, wijziging of herstel vatbare beslissing, kan Onze Minister die leden buiten toepassing laten. Artikel 123. 1. Een herzieningsbeslissing, een wijzigingsbeslissing en een herstelbeslissing vermelden de dag van de inwerkingtreding. Bij een herzieningsbeslissing is deze dag dezelfde als die waarop de herziene beslissing in werking is getreden, tenzij een latere dag wordt bepaald. 2. Een herzieningsbeslissing leidt niet tot terugvordering of verrekening van reeds betaalde bedragen, tenzij de betrokkene redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem te veel werd uitbetaald. 3. Een wijzigingsbeslissing leidt slechts tot terugvordering of verrekening van reeds betaalde bedragen indien de betrokkene, hoewel enige bepaling van deze wet hem daartoe verplicht of dit redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht, heeft nagelaten aan Onze Minister mededeling te doen van een wijziging in de feiten. 4. In afwijking van de vorige twee leden en onverminderd artikel 117 is Onze Minister bevoegd tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde bedragen, indien de herzieningsbeslissing, onderscheidenlijk de wijzigingsbeslissing is genomen binnen vier maanden na de dagtekening van de herziene beslissing, onderscheidenlijk binnen vier maanden nadat Onze Minister bericht heeft ontvangen van wijziging in de feiten. 5. Herstel van een beslissing, als bedoeld in artikel 122, derde lid, binnen vier maanden na de dagtekening van de herstelde beslissing, leidt tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde pensioenbedragen. Herstel van een beslissing, als bedoeld in de vorige volzin, na de daargenoemde termijn, leidt slechts tot

terugvordering of verrekening van te veel betaalde pensioenbedragen, indien de betrokkene redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem te veel werd uitbetaald.

Hoofdstuk 19. Overgangsbepalingen

Samenloop van pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling en samenloop van een of meer van die pensioenen met een pensioen krachtens een andere regeling |'behoort bij hoofdstuk 16)

Artikel 124. 1. De artikelen 93 en 94 vinden tot het in artikel 167, eerste lid, bedoelde tijdstip geen toepassing in gevallen waarin die toepassing zou leiden tot terugvordering van reeds betaalde pensioenbedragen. 2. Ten aanzien van de in het vorige lid bedoelde pensioenen blijven tot het daar bedoelde tijdstip de artikelen 11 en 20a van de wet van 1 augustus 1956, Stb. 455, en de artikelen 10 en 19 van de wet van 31 juli 1957, Stb. 324, van toepassing. 3. Met ingang van het in het eerste lid bedoelde tijdstip worden de daar bedoelde pensioenen herberekend met inachtneming van de artikelen 93 en 94 en wordt een toelage toegekend ten bedrage van het verschil tussen het bedrag van het toegekende pensioen en het bedrag van het herberekende pensioen. Op deze toelage, die voor de toepassing van hoofdstuk 17 en van de artikelen 118 en 119 als pensioen wordt aangemerkt, worden verhogingen van die pensioenen na het in de vorige volzin bedoelde tijdstip in mindering gebracht.

Samenloop van pensioen en algemeen pensioen (behoort bij hoofdstuk 17)

Artikel 125. In afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 97 en onverminderd het bepaalde in artikel 99, onder e, vindt voor de berekening van het inbouwbedrag geen vermenigvuldiging plaats van tijd, gelegen voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet die voor de berekening van een pensioen als daarbedoeld in aanmerking wordt genomen. Artikel 126. 1. Voor de toepassing van deze wet wordt de overgangstoeslag toegekend krachtens artikel 4 van de derde afdeling van de Pensioenmaatregelen 1963, geacht krachtens deze wet te zijn toegekend. 2. Met ingang van de dag waarop voor belanghebbende na de dag voorafgaand aan die van de inwerkingtreding van de Pensioenmaatregelen 1963, recht op een lager bedrag aan algemeen pensioen, als bedoeld in artikel 95 ontstaat, of het recht op evenbedoeld algemeen pensioen vervalt dan wel recht op een hoger pensioen anders dan krachtens artikel 105 ontstaat, vervalt de overgangstoeslag of wordt deze op zodanig lager bedrag vastgesteld, alsof de omstandigheid die tot wijziging luidde reeds op laatstbedoelde dag aanwezig was geweest.