is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 501-550, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Jaargang 1979

529

Besluit van 5 september 1979, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel P9, derde lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet en in artikel P8, derde lid, van de Spoorwegpensioenwet (Besluit beperking voorzieningen Algemene burgerlijke pensioenwet en Spoorwegpensioenwet)

Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken a.i. van 10 april 1979, nr. AW79/U312, Directoraat-Generaal voor Overheidspersoneelsbeleid, Directie overheidspersoneelszaken, Hoofdafdeling Pensioenen en Wachtgelden;

Gelet op Artikel P9, derde lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet en artikel P8, derde lid, van de Spoorwegpensioenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 23 mei 1979, nr. 12);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 27 augustus 1979, nr. AW79/469, Directoraat-Generaal voor Overheidspersoneelsbeleid, Directie Overheidspersoneelszaken, Hoofdafdeling Pensioenen en Wachtgelden;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken; b. directie: de directie van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, onderscheidenlijk de directie van het Spoorwegpensioenfonds.

Artikel 2

De directie is slechts bevoegd de gewezen ambtenaar, onderscheidenlijk gewezen deelgenoot, die uitzicht heeft op invaliditeitspensioen ingevolge artikel E1, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, onderscheidenlijk artikel E1, derde lid, van de Spoorwegpensioenwet, in aanmerking te brengen voor voorzieningen als bedoeld in artikel P9, eerste of tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, onderscheidenlijk artikel P8, eerste of tweede lid, van de Spoorwegpensioenwet, indien en voor zover die voorzieningen verband houden met ziekten of gebreken, ontstaan tijdens het ambtenaarschap onderscheidenlijk deelgenootschap van betrokkene dan wel binnen een maand na het tijdstip van ingang van zijn ontslag, en mits deze verzekerd is overeenkomstig de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet.