is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 501-550, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

a. Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; b. Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk op het gebied van maatschappelijke dienstverlening, met inbegrip van gezinsverzorging en huishoudelijke hulp, alsmede op het gebied van vorming, recreatie en sport, en c. Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen. 2. Onze Minister kan na overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken algemeen geldende regelingen anders dan bedoeld in het vorige lid aanwijzen, die voorzieningen verlenen overeenkomende met die als bedoeld in artikel P9, eerste of tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, onderscheidenlijk artikel P8, eerste of tweede lid, van de Spoorwegpensioenwet. Indien een in de vorige volzin bedoelde regeling is aangewezen, worden de aldaar bedoelde voorzieningen slechts verleend, indien en voor zover deze niet behoren tot de verstrekkingen van die regeling. 3. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en na overleg met Onze Minister, die het mede aangaat, met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid en de tweede volzin van het tweede lid, nadere en zo nodig afwijkende regelen stellen.

Artikel 7

1. Voorzieningen als bedoeld in artikel P9, eerste of tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, onderscheidenlijk artikel P8, eerste of tweede lid, van de Spoorwegpensioenwet, kunnen slechts worden verleend, indien deze in overwegende mate op het individu gericht zijn. 2. Een voorziening als bedoeld in artikel P9, eerste of tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, onderscheidenlijk artikel P8, eerste of tweede lid, van de Spoorwegpensioenwet, wordt niet verleend: a. indien deze algemeen gebruikelijk is; b. indien deze voor een persoon als belanghebbende gezien zijn inkomen algemeen gebruikelijk is; c. indien de waarde minder bedraagt dan anderhalf maal de grondslag, genoemd in artikel 10, tweede lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. 3. Indien de gezamenlijke waarde van voorzieningen als bedoeld in het vorige lid, onder c, in een kalenderjaar een bedrag ter grootte van anderhalf maal de grondslag, genoemd in artikel 10, tweede lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet overtreft, is de directie bevoegd belanghebbende een vergoeding te verlenen ter grootte van het verschil tussen die gezamenlijke waarde en laatstbedoeld bedrag.

Artikel 8

1. Onverminderd het bepaalde in de vorige artikelen kunnen voorzieningen als bedoeld in artikel P9, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, onderscheidenlijk artikel P8, tweede lid, van de Spoorwegpensioenwet, slechts worden verleend, indien deze verband houden met ziekte of gebreken betrekking hebben op: a. vervoer buitenshuis; b. vervoer binnenshuis; c. wonen; d. algemene dagelijkse levensverrichtingen; e. communicatie; f. het voeren van een huishouding; g. ontspanning of ontwikkeling, voor zover het gaat om aanpassing van middelen of specifieke middelen dan wel wanneer het niet verstrekken tot ernstige bestaansverschraling of psychische decompensatie zou leiden; h. herstel, vervanging, onderhoud en reiniging van kleding en beddegoed. 2. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en na overleg met Onze Ministers, die het mede aangaat, met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid, nadere en zo nodig afwijkende regelen stellen.