is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 551-600, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6.2.3.2. fosfaatoplossing

dinatriumwaterstoffosfaat (Na 2 HP0 4 ,2H 2 O) 17,8 g water 1000 ml

6.2.3.3. bereiding

Voeg de beide bovengenoemde oplossingen in dusdanige hoeveelheid bij elkaar, dat een pH-waarde van 5,0 ± 0,1 wordt verkregen.

6.2.4. medium voor het aantonen

Hiervoor zij verwezen naar 1.3.1. Vul af in buizen a 5 ml per buis.

6.2.5. schijfjes filtreerpapier

Pons uit vellen dik filtreerpapier schijfjes meteen diameter van 12,7 mm. De schijfjes zijn ook als zodanig in de handel verkrijgbaar.

6.3. Voorbereiding

6.3.1. het aanhouden van de bacteriecultuur

Ent de stam van Bacillus subtilis ATCC 6633 regelmatig over op het onder 6.2.1 genoemde schuingestolde medium. Kweek aanvankelijk bij 37 ± 1°C en bewaar de cultuur daarna bij 4°C.

6.3.2. het bereiden van de sporesuspensie

Maak een zichtbaar troebele suspensie van het volgens 6.3.1 verkregen materiaal in de onder 6.2.2 genoemde vloeistof en beënt hiermede door overgieten een aantal platen met het onder 6.2.1 genoemde medium. Bebroed deze platen 7 dagen bij 37 ± 1°C.

Breng vervolgens op elke plaat 5 ml van de onder 6.2.2 genoemde vloeistof en suspendeer daarin met behulp van een steriele entnaald het gegroeide bacteriemateriaal. Verzamel dit materiaal tot één hoeveelheid in een met steriele glaskralen voorziene steriele fles met schroefdop, schud gedurende 5 min. op een schudapparaat en verhit gedurende 10 min. bij 80 ± 1°C. Tel het aantal sporen op de wijze als aangegeven onder 1, daarbij echter gebruikmakend van het onder 6.2.1 genoemde medium. Breng de suspensie over in een steriel stopflesje.

Wil men de sporen langdurig bewaren zonder dat noemenswaardig verlies optreedt, dan dient men in plaats van de onder 6.2.2 genoemde vloeistof voor het suspenderen 1 /4 Ringer-vloeistof te gebruiken. Bewaar steeds bij ca. 5°C.

6.4. Werkwijze

6.4.1. het vervaardigen van de platen

Verdun de volgens 6.3.2 bereide sporesuspensie tot een concentratie van ca. 10 5 sporen per ml. Breng voor elke te gieten plaat 0,5 ml van deze suspensie in 5 ml van het onder 6.2.4 genoemde opgesmolten en tot ca. 50°C afgekoelde medium, meng, giet uit in verwarmde petrischalen met een diameter van 9 cm en laat stollen.

Desgewenst kunnen ook petrischalen met een andere diameter worden gebruikt, mits hiermee bij de hoeveelheid rekening wordt gehouden, zodat dezelfde laagdikte wordt verkregen.

6.4.2. het extraheren van de conserveermiddelen

Meng in een mixer het te onderzoeken monster met zo weinig mogelijk van de onder 6.2.3 genoemde extractievloeistof. Hiertoe is maximaal nodig een hoeveelheid gelijk aan 2 maal de afgewogen hoeveelheid monster, doch meestal veel minder.

Breng de pH van het mengsel op pH = 5,0 ± 0,1 en centrifugeer bij 100 g. Indien reeds bij de extractie voldoende vrij vocht wordt verkregen, kan het centrifugeren achterwege worden gelaten.