is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 551-600, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 6a. 1. Met inachtneming van het bepaalde in artikeM06, laatste volzin, van de wet wordt op de uitkering van de gewezen politieke ambtsdragers als pensioenpremie ingehouden 5,85 percent van het bedrag, waarvan de uitkering is afgeleid, nadat dat bedrag is verminderd met het bedrag genoemd in artikel 4, eerste lid. Nabetalingen in verband met het recht op uitkering aan gewezen politieke ambtsdragers worden voor de toepassing van de vorige volzin aangemerkt als uitkering. 2. Indien de betrokkene als politiek ambtsdrager in de functie, waaruit hij ter zake van zijn ontslag of aftreden recht heeft op een uitkering, recht zou hebben gehad op een uitkering ineens, als bedoeld in artikel 5, eerste lid, en deze omstandigheid niet leidt tot verhoging van de wedde of berekeningsgrondslag, waarnaar de uitkering is berekend, wordt deze wedde of berekeningsgrondslag voor de toepassing van het vorige lid dienovereenkomstig verhoogd. Artikel 7. Indien Wij in de bezoldiging van het Rijkspersoneel een wijziging brengen en bepalen in hoever deze wijziging een algemeen karakter draagt, wordt het in artikel 4, eerste en tweede lid, genoemde bedrag door Ons in overeenkomstige mate met ingang van de datum van ingang van die wijziging aangepast aan de bezoldigingswijziging voor zover deze dat algemeen karakter heeft. Artikel 8. Geen pensioenpremie is verschuldigd over de tijd gedurende welke de schadeloosstelling niet wordt genoten.

Paragraaf 3. Uitvoering van artikel 108, eerste lid, van de wet

Artikel 9. Indien een rechthebbende op een pensioen krachtens artikel 108, eerste lid, van de wet, aanspraak heeft op een vergoeding, wordt deze berekend volgens de formule:

a vergoeding = px100-a

waarin:

p voorstelt het bedrag van het pensioen, met uitzondering van de vergoeding, dat voor de heffing van de premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet onder inkomen wordt verstaan,

a voorstelt de som van de percentages van de ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet geheven premies,

met dien verstande, dat:

1°. de vergoeding naar beneden wordt afgerond op tiende gedeelten van een gulden. 2°. de vergoeding per jaar niet meer bedraagt dan het bedrag dat maximaal per jaar premie krachtens de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet wordt geheven.

Paragraaf 4. Uitvoering van artikel 118, tweede lid, van de wet

Artikel 10. 1. De betaling van een pensioen geschiedt door bijschrijving, hetzij op de postrekening van de gepensioneerde, hetzij op de postrekening van een door hem aangewezen (spaar-)bank, kredietinstelling, overheidsinstelling of stichting, hetzij op de postrekening van een particulier gemachtigde. 2. Het verzoek tot overmaking op de postrekening van een particulier gemachtigde behoort eigenhandig door de gepensioneerde te worden ondertekend. Deze handtekening behoort tot genoegdoening van Onze Minister van Binnenlandse Zaken te zijn gewaarmerkt. Bedoeld verzoek wordt mede ondertekend door de gemachtigde.