is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 551-600, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Jaargang 1979

571

Besluit van 12 oktober 1979 tot aanpassing regelen ten aanzien van kindertoelage voor overheidspersoneel aan de Wet van 10 maart 1979, Stb. 155 (overgangsregeling voor het recht op kindertoelage voor invalide kinderen van 18 tot 27 jaar)

Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken a.i. van 6 augustus 1979, nr. AB79/U1539, Directoraat-Generaal voor Overheidspersoneelsbeleid, Directie Overheidspersoneelszaken, Hoofdafdeling Financiële Arbeidsvoorwaarden, mede namens Onze Ministers van Defensie, van Onderwijs en Wetenschappen, van Financiën en van Sociale Zaken;

Gelet op artikel 10 van de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden (Stb. 1967,482);

Gezien de Wet van 10 maart 1979, Stb. 155;

De Raad van State gehoord (advies van 5 september 1979, nr. 16);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken a.i. van 4 oktober 1979, nr. AB 79/1941, Directoraat-Generaal voor Overheidspersoneelsbeleid, Directie Overheidspersoneelszaken, Hoofdafdeling Financiële Arbeidsvoorwaarden, uitgebracht mede namens Onze Ministers van Defensie, van Onderwijs en Wetenschappen, van Financiën en van Sociale Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

Met betrekking tot het recht op kindertoelage ingevolge de Kindertoelageregeling overheidspersoneel (Stb. 1963, 219) over kalenderkwartalen gelegen na 30 september 1976, blijven artikel 2, eerste lid, onder f, en artikel 3, onder b, van die regeling, zoals deze bepalingen luidden op 30 september 1976, van toepassing ten aanzien van kinderen, die op 1 juli 1976 18 jaar of ouder waren.

Artikel 2

1. Artikel 1 vindt slechts toepassing indien een in dat artikel bedoeld kind: a. op 1 juli 1976 invalide was in de zin van artikel 2, eerste lid, onder f, van de Kindertoelageregeling overheidspersoneel; b. voor het vaststellen van het aantal kinderen, waarvoor over het derde kwartaal van het jaar 1976 recht op kindertoelage of kinderbijslag ingevolge de Kindertoelageregeling overheidspersoneel, de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden (Stb. 1967, 482), de Kinderbijslagwet voor kleine zelfstandigen (Stb. 1965, 429) of de Algemene Kinderbijslagwet (Stb. 1968, 24) bestaat, in aanmerking is genomen.