is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 601-651, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Onze Minister beslist over de toekenning van wachtgeld op schriftelijke aanvraag door de belanghebbende. De stukken die Onze Minister nodig acht voor de behandeling van de aanvraag dienen door of vanwege de belanghebbende te worden overgelegd.

Duur van het wachtgeld

Artikel 6. 1. De duur van het wachtgeld is drie maanden, vermeerderd voor de belanghebbende, die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt, met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd; voor de belanghebbende, die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur gelijk aan 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%, met dien verstande, dat de duur van het wachtgeld voor de belanghebbende, die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, gelijk is aan drie maanden, vermeerderd met een duur gelijk aan 78% van de diensttijd. 2. Ten aanzien van de belanghebbende, die bij de aanvang van de in het voorgaande lid bedoelde diensttijd in het genot was van wachtgeld krachtens dit besluit of van uitkering krachtens artikel 8 van de Uitkeringsregeling 1966, wordt bij de berekening van de duur van het wachtgeld mede in aanmerking genomen de diensttijd, welke bij de berekening van de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder toegekende uitkering in aanmerking is genomen. Op de aldus berekende duur wordt de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder toegekende uitkering, met uitzondering van de verlenging bedoeld in het volgende lid, in mindering gebracht. 3. De duur van het wachtgeld van de belanghebbende, die ten tijde van het ontslag een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten minste tien jaren heeft volbracht, wordt indien de som van zijn leeftijd en diensttijd ten tijde van het ontslag 60 jaren of meer bedraagt, na afloop van de termijn waarover wachtgeld is toegekend, verlengd tot de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Deze verlenging vindt niet plaats in het geval, dat ter zake van een eerder toegekend wachtgeld de vorenbedoelde verlenging reeds heeft plaatsgehad, tenzij de belanghebbende nadien weder een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten minste tien jaren heeft vervuld. In dat geval blijft de tijd, welke in aanmerking is genomen bij de eerder genoemde verlenging buiten aanmerking. 4. Na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn kan de duur van het wachtgeld worden verlengd, indien Onze Minister daartoe termen aanwezig acht.

Bedrag van het wachtgeld

Artikel 7. 1. Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste drie maanden gelijk aan de laatstelijk genoten wedde, gedurende de daaropvolgende negen maanden 90% van die wedde; gedurende de daaropvolgende vier jaren 80% en vervolgens 70% van die wedde. Het bedrag van het wachtgeld daalt echter niet beneden het bedrag van het pensioen waarop de belanghebbende recht zou hebben, indien hij uit de betrekking waaruit hij met recht op wachtgeld is ontslagen, op de dag van dat ontslag zou zijn gepensioneerd naar de diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, en naar de middelsom van de berekeningsgrondslagen, bedoeld in artikel F 6, tweede lid, van de pensioenwet, in de betrekking waaruit het wachtgeld is toegekend. 2. In afwijking van het vorige lid is het bedrag van het wachtgeld tijdens de verlenging, bedoeld in artikel 6, derde lid, gelijk aan het bedrag van het pensioen, bedoeld in het vorige lid, met dien verstande, dat gedurende het eerste jaar van die verlenging het wachtgeld ten minste bedraagt 40% van de laatstelijk genoten wedde. 3. In afwijking van het eerste lid is het bedrag van het wachtgeld tijdens de verlenging, bedoeld in artikel 6, vierde lid, ten hoogste 50% van de laatstelijk genoten wedde.