is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 601-651, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. De belanghebbende aan wie wachtgeld is toegekend, wordt door het aanvaarden van het wachtgeld geacht er in toe te stemmen, dat allen, die daarvoor naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komen, omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van dit besluit noodzakelijk zijn. Artikel 10. 1. Onze Minister kan bepalen, dat inkomsten, welke zijn genoten uit hoofde van overwerk, bij wijze van gratificatie, ter zake van een vrijwillige verbintenis bij de Nationale Reserve, bij de Reserve Rijks- en Gemeentepolitie, bij de Noodwachten en Noodwachtstaven dan wel bij de Monumentenwacht of bij andere door Onze Minister aan te wijzen reserve-organen, geheel of ten dele niet worden aangemerkt als inkomsten. 2. De kindertoelage, welke de belanghebbende onder welke benaming ook elders ontvangt, wordt niet aangemerkt als inkomst.

Geneeskundig onderzoek

Artikel 11. Indien de belanghebbende langer dan een jaar wegens ziekte verhinderd is geweest arbeid te verrichten, kan hij door Onze Minister worden verplicht zich geneeskundig te doen onderzoeken, dan wel zich aan een geneeskundig onderzoek volgens de bepalingen van de pensioenwet te onderwerpen.

Aanspraak op toeslag

Artikel 12. 1. Indien en zolang de belanghebbende wachtgeld ontvangt, heeft hij aanspraak op een toeslag, welke wordt toegekend en berekend op gelijke wijze als is bepaald in de Kindertoelageregeling overheidspersoneel. Daarbij wordt onder wedde verstaan de laatstelijk genoten wedde, bedoeld in artikel 4. 2. Op de voor een kind berekende toeslag, bedoeld in het vorige lid, wordt in mindering gebracht de kinderbijslag, welke, onder welke benaming ook, elders voor dat kind kan worden ontvangen. 3. De belanghebbende, die kinderbijslag, onder welke benaming ook, kan ontvangen, is verplicht daarvan aan Onze Minister mededeling te doen, zo mogelijk onder opgave van het bedrag van die bijslag.

Einde en verval van het recht op wachtgeld

Artikel 13. 1. Het recht op wachtgeld eindigt: a. behoudens het bepaalde in het tweede lid, met ingang van de eerste dag van de tweede maand volgende op die waarin de belanghebbende in de zin van artikel E 1 of artikel U 15 van de pensioenwet uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is verklaard de betrekking te vervullen waaruit hij met recht op wachtgeld is ontslagen; b. met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de belanghebbende de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; c. met ingang van de dag volgende op die waarop de belanghebbende is overleden; d. indien het recht op wachtgeld geheel wordt afgekocht. 2. In afwijking van het vorige lid, onder a, eindigt het recht op wachtgeld, indien de belanghebbende uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is verklaard voor het vervullen van de betrekking die hij gedurende de met recht op wachtgeld doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij ambtenaar was in de zin van de pensioenwet, met ingang van de dag waarop de belanghebbende uit evenbedoelde betrekking is ontslagen. 3. Het recht op wachtgeld kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende: a. zich zodanig gedraagt, dat hij, ware hij in dienst gebleven, zou zijn ontslagen; b. de gegevens, die noodzakelijk zijn voor de vaststelling of de vermindering van het wachtgeld niet, niet volledig, of onjuist verstrekt.