is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 601-651, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 14

1. Behoudens het tweede lid blijven ten aanzien van degene, aan wie op grond van één van de Koninklijke besluiten van 17 augustus 1935 (Stb. 514, 515 en 516) een wachtgeld is toegekend, de bepalingen van het desbetreffende besluit onverminderd van kracht, met dien verstande, dat de commissie, bedoeld in artikel 19 van het Rijkswachtgeldbesluit 1959, wordt aangenomen te zijn de commissie, bedoeld in artikel 13 van het Koninklijk besluit van 17 augustus 1935 (Stb. 514)en de artikelen 14van de Koninklijke besluiten van 17 augustus 1935 (Stb. 515 en 516). 2. De in het eerste lid bedoelde op wachtgeld gestelde militairen kunnen binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dit besluit verzoeken hun wachtgeld te rekenen van die datum te herzien overeenkomstig de bepalingen van dit besluit. Na bedoelde herziening zijn op het wachtgeld uitsluitend de bepalingen van dit besluit van toepassing. 3. Het wachtgeld ter zake van een ontslag ingegaan op of na de datum van inwerkingtreding van dit besluit wordt uitsluitend beheerst door de bepalingen van dit besluit.

Artikel 15

Door hem, die is aangesteld in burgerlijke openbare dienst om in de krijgsmacht als geestelijke verzorger doorlopend werkzaam te zijn, kan te rekenen van 1 januari 1966 terzake van een hem verleend ontslag geen aanspraak op wachtgeld krachtens het Rijkswachtgeldbesluit 1959 worden ontleend.

Artikel 16

Dit besluit kan worden aangehaald onder de titel: «Militaire wachtgeldregeling 1961».

Artikel 17

Het Koninklijk besluit van 4 maart 1948 (Stb. I 90) en Ons besluit van 4 juni 1952 (Stb. 327) worden ingetrokken.

Artikel 18

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de maand, na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin het wordt geplaatst.

Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.