is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 652-680, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tekst van de Rijksgroepsregeling oudere zelfstandigen, zoals die is vastgesteld bij Koninklijk besluit van 5 augustus 1977, Stb. 526, en gewijzigd bij Koninklijk besluit van 11 oktober 1979, Stb. 567

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

Artikel 1

1. In dit besluit wordt verstaan onder: a. Onze Ministers: Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en Onze Minister van Sociale Zaken; b. Centrale Commissie: de commissie, bedoeld in artikel 28 van de Rijksgroepsregeling zelfstandigen (Stb. 1965, 5); c. Commissie: de commissie, bedoeld in artikel 30 van de Rijksgroepsregeling zelfstandigen; d. zelfstandige: degene die voor de voorziening in het bestaan geheel of voor een aanmerkelijk deel is aangewezen op arbeid in bedrijf of beroep anders dan in een dienstbetrekking of een arbeidsverhouding als bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de Werkloosheidswet (Stb. 1967, 421). 2. Onze Ministers kunnen, gehoord de Centrale Commissie, nadere regelen stellen voor het vaststellen van gevallen, waarin een persoon al dan niet wordt geacht voor de voorziening in het bestaan geheel of voor een aanmerkelijk deel op de in het eerste lid onder d bedoelde arbeid te zijn aangewezen.

Artikel 2

Dit besluit is van toepassing op de zelfstandige aan wie geen bijstand ingevolge de Rijksgroepsregeling zelfstandigen kan worden verleend en die niet in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien, onder de voorwaarden dat hij:

a. 58 jaar of ouder is, maar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt; b. naar verwachting duurzaam een bedrijfs- of beroepsinkomen zal behalen, dat naar consumptiemogelijkheden overeenkomt metten minste de helft van het wettelijk minimumloon; c. gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de datum van aanvrage in zijn bedrijf of beroep als zelfstandige werkzaam is; d. de arbeidstijd geheel of nagenoeg geheel aanwendt voor de uitoefening van het bedrijf of beroep; e. aan de wettelijke vereisten voor het uitoefenen van het bedrijf of beroep voldoet.

Artikel 3

In afwijking van het bepaalde in artikel 2 kunnen burgemeester en wethouders de bepalingen van dit besluit toepassen op de zelfstandige die niet ten volle aan één of meer van de daar gestelde voorwaarden voldoet, indien en voor zolang zij daartoe, gelet op alle omstandigheden zeer dringende redenen aanwezig achten.

Artikel 4

1. Indien bijstand op grond van dit besluit is verleend en het inkomen uit zelfstandig bedrijf of beroep daarna als gevolg van algemene prijs- en kosten ontwikkelingen daalt beneden het minimum bedoeld in artikel 2, onder b, kan de bijstand niettemin worden voortgezet.