is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 652-680, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Behoort bij de hoofdstukken F. De berekening van het ambtenarenpensioen, enJ, Samenloop

Artikel U 29

Bij de toepassing van artikel A 8 en § 2 van hoofdstuk J geldt ten aanzien van de pensioenen die noch rechtstreeks noch middellijk zijn afgeleid van een pensioengrondslag, middelsom van pensioengrondslagen of middelsom van berekeningsgrondslagen, dat zij geacht worden te zijn afgeleid van de wedde waarop laatstelijk recht bestond in de betrekking waaraan belanghebbende het recht op pensioen ontleent. In bijzondere gevallen of groepen van gevallen waarin de toepassing van de vorige volzin tot een naar het oordeel van de directie voor belanghebbende onredelijke uitkomst leidt, is zij bevoegd, na goedkeuring van de Raad van toezicht, ten gunste van de belanghebbende een beslissing te nemen die met de strekking van de in de vorige volzin bedoelde bepalingen overeenkomt.

Behoort bij hoofdstuk G, Het recht op weduwen- en wezenpensioen

Artikel U 30

De weduwe en wezen van de ambtenaar, gepensioneerd ambtenaar of gewezen ambtenaar, die als gevolg van het afleggen van de verklaring bedoeld in artikel 156, tweede lid, van de Pensioenwet 1922 geen uitzicht had op pensioen voor zijn na te laten betrekkingen, verkrijgen recht op pensioen met ingang van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, indien zij overigens aan de in deze wet gestelde eisen voldoen.

Artikel U 31

1. Aan de weduwe wier weduwenpensioen wegens een volgend huwelijk is geëindigd op grond van artikel 112 van de Pensioenwet 1922, of op grond van het vijfde lid wordt, met inachtneming van artikel U 37, op haar verzoek aan de directie opnieuw weduwenpensioen toegekend indien dat huwelijk, anders dan door opvolgend huwelijk met rechterlijk verlof, wordt ontbonden. Indien haar ter zake van het latere huwelijk eveneens pensioen toekomt, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, als bedoeld in artikel J 3, tweede lid, wordt het opnieuw toe te kennen pensioen berekend met overeenkomstige toepassing van artikel H 6 en artikel J 3, eerste lid, tenzij toekenning van een dezer pensioenen, waarbij het recht op het andere pensioen vervalt, tot een hoger bedrag leidt. De vorige volzin vindt overeenkomstige toepassing, indien de weduwe ter zake van het latere huwelijk recht op bijzonder weduwenpensioen verkrijgt. 2. Bij toekenning aan de weduwe van weduwenpensioen ingevolge het vorige lid wordt het wezenpensioen van haar kinderen, als bedoeld in artikel H 7, eerste lid onder a, nader vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in dat artikel en met inachtneming van artikel H 8, tweede lid, indien artikel H 6 overeenkomstige toepassing vindt bij de berekening van het weduwenpensioen, en overigens met inachtneming van artikel U 37. 3. Het weduwenpensioen of de weduwenpensioenen en het nadervastgestelde wezenpensioen gaan in met de dag volgende op die van de ontbinding van het huwelijk. Herberekening van de pensioenen ingevolge de laatste volzin van het eerste lid geschiedt met ingang van de dag, waarop het bijzonder weduwenpensioen ingaat of zou ingaan. 4. Artikel 112a van de Pensioenwet 1922 blijft van kracht voor de gevallen waarin het toepassing vond op de dag voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet. 5. In afwijking van artikel H 6 eindigt een ingevolge het eerste lid opnieuw toegekend weduwenpensioen, indien de weduwe hertrouwt met een man,