is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 652-680, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Artikel C 6, vierde en vijfde lid, is eerst van toepassing met ingang van het jaar volgend op het eerste jaar waarin deze wet van kracht is.

Artikel U 7

1. Gedurende vijfjaren na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet wordt voor de toepassing van artikel C 1 mede onder inkomen als deelgenoot begrepen, het genot van vrij wonen en van andere dergelijke emolumenten bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Pensioenwet 1925. 2. Het vorige lid geldt slechts ten aanzien van de emolumenten, die op de dag voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet bestanddeel vormen van een wedde in de zin van artikel 13 van de Pensioenwet 1925.

Behoort bij Hoofdstuk D, Diensttijd

Artikel U 8

1. In afwijking van artikel D 5 komt van de drempeltijd die krachtens dat artikel als diensttijd in aanmerking komt, het gedeelte dat vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet is gelegen, slechts in aanmerking als diensttijd indien deze is ingekocht. 2. Op deze inkoop zijn van overeenkomstige toepassing de artikelen 18 b en 18 c van de Pensioenwet 1925, zoals deze laatstelijk luidden vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande, dat: a. als dag van inkoop geldt de dag waarop belanghebbende de hoedanigheid van deelgenoot verkrijgt; b. als pensioengrondslag geldt het bedrag dat als zodanig zou hebben gegolden, wanneer belanghebbende op de laatste dag van het in te kopen tijdvak reeds spoorwegambtenaar in de zin van de Pensioenwet 1925 zou zijn geweest; artikel F 5, derde lid, is hierbij van toepassing; c. de als inkoopsom te betalen bijdrage wordt berekend met overeenkomstige toepassing van het tarief vermeld in artikel V 8; d. inkoop ook mogelijk is van diensttijd korter dan twaalf maanden.

Artikel U 9

1. Hij die deelgenoot wordt, kan voor pensioen inkopen de tijd doorgebracht vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, indien hij deze tijd krachtens de artikelen 18 en 18 b van de Pensioenwet 1925 zou hebben kunnen inkopen, wanneer hij vóór dat tijdstip spoorwegambtenaar in de zin van de Pensioenwet 1925 zou zijn geworden. 2. Op deze inkoop zijn van overeenkomstige toepassing de artikelen 18, 18 ben 18 c van de Pensioenwet 1925, zoals deze laatstelijk luidden vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat: a. als dag van inkoop geldt de dag waarop belanghebbende de hoedanigheid van deelgenoot verkrijgt; b. als pensioengrondslag geldt het bedrag dat als zodanig zou hebben gegolden, wanneer belanghebbende op de laatste dag van het in te kopen tijdvak reeds spoorwegambtenaar in de zin van de Pensioenwet 1925 zou zijn geweest; c. de als inkoopsom te betalen bijdrage wordt berekend met overeenkomstige toepassing van het tarief vermeld in artikel V 8; d. inkoop ook mogelijk is van diensttijd korter dan twaalf maanden.

Artikel U 10

Indien bij inkoop krachtens de artikelen U 8 of U 9 de in artikel 18 ^derde lid van de Pensioenwet 1925 bedoelde restitutie wegens een plaatsgevonden hebbende afkoop van de verzekering krachtens de Invaliditeitswet niet mogelijk is, wordt, indien nog geen twee jaren zijn verstreken na het tijd-