is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 681-700, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II

Artikel 43

1. Met ingang van 1 augustus 1977 luiden de in de artikelen C 5, onder d, E 3, tweede lid, E 4, F 3, eerste lid, F 7, zevende lid onder e en tiende lid, F 10a, tweede lid, J 1 a, tweede lid, M 4, eerste lid, en V 13, tweede en derde lid van de pensioenwet en de in de daarmede overeenkomende artikelen in de vroegere militaire pensioenwetten bedoelde bedragen f 19.743,81, f 1.728,-, f 1.728,-, f 30.885,-, f 16.895,-, f 188.803,22, f 131.632,-, f 21.566,-, f 340,- en f340,-. 2. Met ingang van 1 juli 1978 luiden de in de artikelen F 7, zevende lid, onder e, en F 10a, tweede lid, genoemde bedragen f25.426,62 en f25.426,62.

HOOFDSTUK III

Artikel 44

Aan de gepensioneerden, die op 1 juli 1978 recht hebben op een kostwinnerspensioen, wordt over de periode 1 juli 1977 tot 1 juli 1978, voorzover over die periode recht op dat pensioen bestond, een uitkering- ineens verleend. De uitkering-ineens bedraagt voor elke maand of gedeelte daarvan, waarover in genoemde periode recht op kostwinnerspensioen bestond, 1/12 gedeelte van een bedrag, gelijk aan 2,6 procent van het kostwinnerspensioen op 30 juni 1978.

Artikel 45

1. Aan de gepensioneerden, aan wie een pensioen is toegekend, wordt over het jaar 1978 een uitkering-ineens verleend, over de periode, waarover dat recht op pensioen in 1978 bestond. De uitkering-ineens wordt afgeleid van een basisbedrag, dat bestaat uit: a. 0,34 procent van de berekeningsgrondslag, met dien verstande dat de uitkomst niet lagerzal zijn dan f77,11, b. een bedrag van f7,13. De uitkering-ineens bedraagt zoveel procent van het basisbedrag, als het pensioenpercentage beloopt. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt uitgegaan van de berekeningsgrondslag, zoals deze ingevolge deze afdeling is vastgesteld: a. per 1 december 1978, b. indien het pensioen later is ingegaan, die latere datum, c. indien het recht op pensioen eerder is geëindigd, die eerdere datum. 3. Indien niet gedurende het gehele jaar 1978 recht op pensioen heeft bestaan, wordt de volgens het eerste lid berekende uitkering-ineens beperkt door vermenigvuldiging met een breuk, waarvan de teller wordt gevormd door het aantal dagen waarover in 1978 recht op pensioen bestond en de noemer is 360. De maand wordt daarbij gesteld op 30 dagen. 4. In afwijking van het eerste en derde lid wordt: a. de uitkering-ineens niet verleend aan de gepensioneerde, die op of na 1 december 1978 is overleden en wiens nagelaten betrekkingen recht hebben op weduwen- of wezenpensioen, b. voor de vaststelling van de uitkering-ineens aan de nagelaten betrekkingen van een overleden gepensioneerde, die in 1978 recht op een weduwen- of wezenpensioen hebben, uitgegaan van het aantal dagen, bedoeld in het derde lid, vermeerderd met het aantal dagen waarover de overleden gepensioneerde in 1978 recht had op pensioen, c. de uitkering-ineens verleend aan nagelaten betrekkingen van een in de loop van 1978 overleden gepensioneerde, die geen recht hebben op weduwen- of wezenpensioen, mits het verzoek daartoe voor 1980 is ontvangen.