is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 701-750, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Indien een gehuwde vrouw ter zake van arbeidsongeschiktheid, ingetreden voor 1 oktober 1975, recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering naar een arbeids ongeschiktheid van 25% of meer over een dag, gelegen na 31 december 1979, en haar echtgenoot over die dag recht heeft op arbeidsongeschiktheids uitkering ingevolge deze wet, wordt voor de toepassing van artikel 12a de gehuwde vrouw geacht een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge deze wet te zijn toegekend, berekend naar een grondslag ter grootte van het voor haar krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering geldende dagloon, doch ten hoogste naar de grondslag, als bedoeld in artikel 10, vierde lid, en naar een arbeidsongeschiktheidspercentage, waaarnaar haar uitkering ingevolge laatstgenoemde wet is berekend. Ten aanzien van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de echtgenoot is artikel 12a van overeenkomstige toepassing. 3. Onze Minister kan met betrekking tot de artikelen 12a, 12b en dit artikel nadere en zo nodig afwijkende regelen stellen.

H

Artikel 21 wordt gelezen:

Artikel 21

1. De bedrijfsvereniging is voorts bevoegd met betrekking tot uit deze wet voortvloeiende aanspraken geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking te laten: a. algehele arbeidsongeschiktheid, welke bestond op het tijdstip, dat de verzekering een aanvang nam; b. arbeidsongeschiktheid, welke bestond op het tijdstip, waarop de betrokkene een inkomen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, en tweede lid, ging verwerven; c. arbeidsongeschiktheid, welke binnen een halfjaar na het tijdstip, dat de verzekering een aanvang nam, is ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van de aanvang van zijn verzekering het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar kennelijk moest doen verwachten; d. arbeidsongeschiktheid. Welke binnen een halfjaar na het tijdstip, waarop de betrokkene een inkomen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, en tweede lid, ging verwerven, is ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van het gaan verwerven van dit inkomen het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar kennelijk moest doen verwachten. 2. Voor de toepassing van het eerste lid, onder b en d, wordt met het tijdstip, waarop de betrokkene een inkomen, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, en tweede lid, ging verwerven, gelijkgesteld het tijdstip, waarop de betrokkene krachtens het derde lid van dat artikel geacht wordt een zodanig inkomen te zijn gaan verwerven. 3. De in het eerste lid, onder c en d, bedoelde bevoegdheid strekt zich mede uit tot toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid welke binnen een half jaar na de aanvang van de verzekering dan wel na het gaan verwerven van het inkomen is ingetreden. 4. Het bepaalde in de vorige leden blijft buiten toepassing ten aanzien van degene als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, indien hij gedurende de zes jaren onmiddellijk voorafgaande aan het 17e levensjaar binnen het Rijk heeft gewoond.