is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1979, no. 751-787, 01-01-1979

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De uitbreiding van de werkingssfeer tot bepaalde gevaarlijke preparaten heeft onder meer geleid tot het opnemen van definities van de in dit besluit gebruikte begrippen van «stof» en «preparaat» (artikel 1).

Dit besluit verstaat onder «stof» de chemische elementen en hun verbindingen in hun natuurlijke toestand of zoals ze bij vervaardiging in een produktieproces ontstaan, dus met inbegrip van de in die toestand eventueel aanwezige nevenelementen of verbindingen welke als verontreinigingen moeten worden aangemerkt.

Als «preparaat» wordt beschouwd een mengsel of oplossing, waarvan de bestanddelen worden gevormd door twee of meer afzonderlijke stoffen, ongeacht de eventuele verontreinigingen van die stoffen.

Het tweede lid van artikel 2 geeft een omschrijving van de stoffen die aan de werking van het besluit onttrokken zijn.

Het betreft hier in de eerste plaats (onderdeel a), in navolging van de desbetreffende aan het besluit ten grondslag liggende E.E.G.-richtlijn, samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen die zich in houders, anders dan spuitbussen, bevinden, omdat de houders van zodanige gassen in E.E.G.-verband bestemd zijn als onderwerp van afzonderlijke voorschriften.

Gassen in spuitbussen echter vallen wel onder de werking van dit besluit vanwege de bijzondere aard en de vele gebruiksdoeleinden van een zodanige verpakking, waardoor deze houders buiten laatstbedoelde communautaire voorschriften vallen. Aangezien de spuitbussen veelvuldig een gevaarlijke inhoud bevatten, is het van belang dat de aard van deze inhoud op duidelijke en uniforme wijze hierop wordt aangeduid.

Voorts zal (onderdeel b) het besluit niet van toepassing zijn op stoffen die bestemd zijn om te worden gebruikt als «geneesmiddel» in de zin van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening. Laatstgenoemd begrip omvat ook verdovende middelen, hetgeen van belang kan zijn voor zover de verpakking en het kenmerken van verdovende middelen niet onder de Opiumwet vallen, zulks in verband met artikel 1 van de Wet Gevaarlijke Stoffen.

Overeenkomstig de onderhavige E.E.G.-richtlijnen is tevens een uitzondering gemaakt voor gevaarlijke stoffen (onderdeel c) die bestemd zijn om te worden vervoerd naar andere landen dan de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, en gevaarlijke stoffen (onderdeel d) in douanevervoer, voor zover deze niet worden verwerkt of bewerkt.

De reden van de niet-toepasselijkheid van het besluit op aardolieprodukten die de krijgsmacht of een bondgenootschappelijke krijgsmacht voor eigen gebruik heeft bestemd (onderdeel e), is gelegen in het feitelijke gegeven dat de interne bevoorrading van de strijdkrachten met dergelijke produkten dient te geschieden in een verpakking die in een camouflerende kleur geschilderd is. Een opvallende etikettering zou de tactische gebruiksmogelijkheid van met name benzinejerrycans aanzienlijk belemmeren. De noodzaak van etikettering van door de krijgsmacht gebruikte verpakkingen van aardolieprodukten is bovendien niet groot, omdat deze niet buiten de krijgsmacht worden gebruikt en daarbinnen algemeen bekend is waarvoor deze verpakkingen worden gebruikt.

Ten slotte zij met betrekking tot de aan de werking van het besluit onttrokken categorieën gevaarlijke stoffen nog gewezen op artikel 7, tweede lid, van de Wet Gevaarlijke Stoffen, ingevolge hetwelk het eerste lid van dat artikel niet van toepassing is ten aanzien van bestrijdingsmiddelen in de zin van de Bestrijdingsmiddelenwet, zodat de bestrijdingsmiddelen niet onder het nieuwe besluit zullen vallen. Voorts valt nog te wijzen op artikel 1 van de Wet Gevaarlijke Stoffen, volgens hetwelk die wet van toepassing is op de handelingen, bedoeld in onder meer artikel 7, eerste lid, voorzover daarin niet is voorzien bij of krachtens een aantal in dat lid genoemde wetten.

De aanwijzing van de gevaarlijke stoffen waarop het besluit van toepassing is, wordt in artikel 2, eerste lid, opgedragen aan de Ministers van Sociale Zaken en van Volksgezondheid en Milieuhygiëne gezamenlijk. De vorm van het ministeriële besluit is hier te verkiezen boven het systeem waarbij