is toegevoegd aan je favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1995, no. 561-571, 01-01-1995

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tweede lid

In het tweede lid wordt voor de wijze van bepaling van de samenstelling van bouwstoffen (uitgezonderd grond) verwezen naar normen van het Nederlands Normalisatie-lnstituut (NEN-normen). De nummers van de betreffende normen worden in het besluit zelf genoemd, de geldige uitgave van die normen zal krachtens het zesde lid bij ministeriële regeling worden bepaald.

derde lid

In het derde lid wordt - in afwijking van het tweede lid - voor de wijze van bepaling van de samenstelling van grond verwezen naar bij ministeriële regeling te stellen regels (de in het tweede lid genoemde NEN-normen zijn niet opgesteld voor het bepalen van de samenstelling van grond). Voor grond zullen de meet- en bepalingsmethoden, die gehanteerd moeten worden voor de bepaling van de samenstelling van deze bouwstof, dus alle op dat niveau worden vastgelegd. De reden hiervoor is dat thans nog niet in dit besluit kan worden verwezen naar een beknopt, afgerond normen-pakket zoals dat wel kan worden voorgeschreven voor de bepaling van de samenstelling van andere bouwstoffen dan grond. In de ministeriële regeling zal zoveel mogelijk worden verwezen naar de desbetreffende bodemnormen van het Nederlands Normalisatie-lnstituut. Indien deze normen voor bepaalde stoffen nog ontbreken, zal bij de opstelling van de ministeriële regeling gebruik worden gemaakt van de Voorlopige Praktijkrichtlijnen (VPR) voor bodemonderzoek 1 .

vijfde lid

In het vijfde lid is aangegeven hoe de immissie naar de bodem als gevolg van de emissie uit de betreffende bouwstof bepaald moet worden. In de onderdelen a t/m d is aangegeven welke meet- en bepalingsmethoden er door een daarvoor door NSS erkend laboratorium of daarmee vergelijkbaar buitenlands laboratorium gebruikt moeten worden om de emissie uit de betreffende bouwstof te bepalen. Hiervoor wordt, zoals in het voorschrift over de bepaling van de samenstelling in het tweede lid, verwezen naar normen van het Nederlands Normalisatielnstituut; de geldige uitgave van die normen zal bij ministeriële regeling worden bepaald.

In onderdeel e is aangegeven hoe met behulp van de volgens de onderdelen a t/m d bepaalde emissie-gegevens, de immissie berekend moet worden voor de betreffende toepassing van de bouwstof. Onder 2° is een functie gegeven voor de berekening van de immissie voor de anorganische stoffen in vormgegeven bouwstoffen, waarvan de uitloging diffusie-bepaald is. Onder 1° is een functie gegeven voor de berekening van de immissie voor anorganische stoffen van vormgeven bouwstoffen, waarvan de uitloging niet diffusie-bepaald is, en van niet-vormgegeven bouwstoffen.

Indien een vormgegeven bouwstof voor bepaalde anorganische stoffen diffusie-bepaald uitloogt en voor andere anorganische stoffen niet diffusie-bepaald uitloogt, bestaat er een keuze:

1. de bouwstof wordt volgens de onder 2° gegeven functie beoordeeld voor die stoffen die diffusie-bepaald uitlogen en volgens de onder 1° gegeven functie beoordeeld voor die stoffen die niet diffusie-bepaald uitlogen, of

2. de bouwstof wordt in zijn geheel (dus voor alle in bijlage 2 genoemde, anorganische stoffen) volgens de onder 1° gegeven functie beoordeeld.

De tweede mogelijkheid vloeit voort uit het slot van onderdeel e waar

1 Reeks Bodembescherming, bestelnummer 250-154-55B.