is toegevoegd aan je favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1996, no. 121-130, 01-01-1996

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

biedt, kunnen deze geschillen aan de commissie worden voorgelegd overeenkomstig het daaromtrent bepaalde in het medezeggenschapsreglement.

Artikel 10.33. Procesbevoegdheid medezeggenschapsraad

1. De medezeggenschapsraad kan in rechte optreden indien de vordering strekt tot naleving door het instellingsbestuur van de verplichtingen jegens de raad, voortvloeiend uit deze wet. 2. Indien de burgerlijke rechter bevoegd is, neemt de kantonrechter kennis van de vordering. 3. In afwijking van artikel 56 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht kan de raad niet in de proceskosten worden veroordeeld. 4. De raad treedt op verzoek van een commissie als bedoeld in artikel 10.34, op indien de rechten van die commissie specifiek aan de orde zijn.

Artikel 10.34. Commissies

1. Het instellingsbestuur stelt het personeel en de studenten in de gelegenheid om desgewenst onderscheidenlijk een personeelscommissie dan wel afzonderlijke commissies voor onderscheiden personeelscategorieën of -groeperingen, en een studentencommissie in te stellen. Een dergelijke commissie is bevoegd desgevraagd of eigener beweging advies uit te brengen aan de medezeggenschapsraad over die aangelegenheden die de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan. 2. Op verzoek van een commissie stelt de medezeggenschapsraad het instellingsbestuur in kennis van een schriftelijk advies als bedoeld in het eerste lid. Artikel 10.19, tweede lid, derde volzin, is ten aanzien van een dergelijk schriftelijk advies van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10.35. Gemeenschappelijke medezeggenschapsraad

1. Indien meer hogescholen door hetzelfde instellingsbestuur in stand worden gehouden, stelt het instellingsbestuur een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad in voor alle of een aantal van deze hogescholen. 2. De leden van de gemeenschappelijke raad worden gekozen uit en door de leden van de desbetreffende afzonderlijke medezeggenschapsraden en wel zodanig dat de aantallen leden, gekozen uit het personeel onderscheidenlijk uit de studenten, elk de helft van het aantal leden van de raad bedragen. Het aantal leden van de raad bedraagt ten hoogste vierentwintig leden. 3. Het instellingsbestuur stelt voor elke gemeenschappelijke raad een reglement vast. In het reglement wordt ten minste geregeld uit hoeveel leden de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad bestaat, de wijze waarop de verkiezing door de betrokken medezeggenschapsraden geschiedt, en de onderwerpen, bedoeld in artikel 10.22, onder d tot en met g. 4. Artikel 10.20 is van overeenkomstige toepassing. In het reglement wordt vastgelegd met betrekking tot welke in dat artikel geregelde onderwerpen de instemming van de gemeenschappelijke raad is vereist. 5. Artikel 10.21, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op het reglement behalve voor wat betreft de bevoegdheden die ingevolge het vierde lid zijn overgedragen. 6. De artikelen 10.17 en 10.27 tot en met 10.33 zijn van overeenkomstige toepassing.