is toegevoegd aan uw favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 31, 1936, no 1093, 19-08-1936

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III.

Mr. Boltwood kwam door zijn vertegenwoordiger in Minneapolis in aanraking met een groot deel der cliëntèle zijner maatschappij, maar hij was er niet toe te brengen, de zaken licht op te nemen, dus: hij overwerkte zich weer, en was daarbij volmaakt gelukkig. Eigenlijk hoopte hij iets in 't filiaal te vinden wat niet helemaal in ord^ was. Clara probeerde alles om hem mee te krijgen op een uitstapje naar de „meren". Maar 'tlukte niet! En als in een vuurwerk brandden zijn zenuwen in vonken en vuurregens en was hij voor de tweede weer „op" geheel „op!"

Clara kon heel goed de baas spelen over haar vriendinnen, maar 'twas nooit in haar opgekomen haar vader op de kop te zitten, behalve dat zij hem wel eens met klein a, goedbedoelde plagerijen nu en dan wat prikkelde.

Maar nu, absoluut in verband met den dokter, nam zij het heft in handen en voerde de algehele heerschappij over hem. Toen hij, als enig alternatief, de grauwe, grijze, grimmige dood voor zich zag, bond hij in, gaf zich gewonnen en gaf in alles toe.

Hij vond 't goed om de lange autotocht te beginnen, over eindeloze vlakten en hoge bergen, en door bossen en velden naar Seattle, een afstand van meer dan 2000 mijl, om daar te gaan logeren, bij de Gilson's, die nog familie van hem waren.

Thuis, in 't Oosten, hadden zij twee auto's, een limousine en de Gomez Deperdussin roadster en ook een chauffeur. Clara reed 't liefst de Deperdussin. En zij meende, dat 't de beste verandering voor haar vader zou zijn, om alleen met haar op reis te gaan, zonder enige mannelijke hulp of controle en dus zonder chauffeur.

En al reed haar vader nooit zelf, toch bleef Clara bij haar idee, en wist 't door te drijven, want zij zelf kon uitstekend chaufferen. Er lag iets pathetisch in zijn onvoorwaardelijk toegeven; hij keek haar aan als met trouwe hondenogen en de Deperdussinroadster werd hun per schip uit New-York gezonden.

Op een vroege morgen in Juli gingen zij van uit Minneapolis op weg in een dikke mist en zoals boven gezien, bleven zij na een rit van 60 mijl noordwaarts, steken in stro mende regen en veel modder en slijk, in een kuil.

Clara werd wakker uit haar versuffing en zuchtte: „O! ik moet zien dat we de wagen hier uit krijgen! Denk je niet, dat 't beter is om hulp te vragen? Maar wie? En waar vandaan?"

Neen! 't Gaat er juist om: wie zal je helpen, als je in de modder zit. Neen! Laat me! Bij zo'n avontuur als dit moet je zelf aan pakken.

Altijd! vroeger hebben andere mensen alles voor mij gedaan. Iedereen deed altijd alles. Dienstboden en leraren, die mij graag wilden helpen, en niet te vergeten, jijzelf, lieveling. Dat alles heeft me week en gemakzuchtig gemaakt. Week en zacht. Ik wilde wèl, dat ik nu een leuk tafeltje had en een aardig boek en een zakje amandelnoga, en zo meer en dat ik me niet zo akelig flink en mannelijk voelde als juist nu. Maar...

Ze zette de kraag op van haar ruige grijze „tweed" jas en klom moeilijk en stijf uit de wagen. Ze keek naar de achterwielen en haar rugspieren deden haar pijn.

De achterwielen zaten tot de as in de modder en vóór de wielen hoopte de brei zich op, als een stevige, zwarte onoverkomelijke massa.

Ze haalde de wagenlichter en de wielkettingen uit de gereedschapskist. Maar 't was vergeefse moeite.

Toen in eens, herinnerde ze zich allerlei verhalen van kennissen, en dat twijg- en takkebossen, op de modder gelegd, een vast „vlak" geven voor de wielen.

En ze dacht hoe leuk en typisch ze alles vertellen zou over haar „panne", een week later, als alles achter de rug was.

Ze waadde dwars door de modder, naar een stapel takkebossen. Eerst zocht zij de droge plekken op, maar toen gaf zij er de brui aan, en in een bui dat haar eigenlijk niets kon schelen, vond zij 't leuk om smerig te worden en vuil. Ze plonsde diep door modderplassen, en waadde toen door de dikke brei.

Bij de stapel takkebossen stond lang gras, dat haar kousen doornat maakte en haar enkels begonnen te jeuken. Nooit had Clara gedacht, dat ze zo goed met takkebossen kon omspringen. Maar 't ging inderdaad best. Als een vrouw die dat werk dag in, dag uit gewend is, bekeek zij elke tak, nu een die veel te lang was, om uit de hoop te trekken, dan weer een die vol dorens zat en die haar gevoelig prikte, en zo telkens, tot dat zij stuk voor stuk een bundeltje twijgen bij elkaar zamelde.

Zo ging zij op en neer „zeven keer" en sleepte „bossen twijg- en loofhout achter zich aan .

Zij spreidde ze uit vóór de voorwielen en haar handen zagen er uit als die van een klein kind van een jaar of zes, dat van zand en aarde en modder een fort bouwt. Haar

nagels begonnen pijn te doen van de modder die er zich onder vastzette en ze kon haar voeten bijna niet meer oplichten, door de massa slik die zich aan haar schoentjes had vastgeklonterd.

Ze ging op de treeplank zitten met een echt tevreden gevoel over haar zwoegen en werken en schrapte ladingen modder en houtvezels van haar schoenzolen en klom weer in de wagen en drukte op de starter.

De motor zoemde, de wagen bewoog, ging een paar c.M. vooruit, toen weer achteruit: „de zelfde paar c.M."

Heel bemoedigend pakte de wagen weer aan, voor de tweede keer, even vooruit, niet eens zover als de eerste keer en toen weer terug.

En toen snikte Clara 't uit.

Zij leunde met haar hoofd tegen de ruige jas van haar vader, tegen zijn schouder, en hij glimlachte en zei opwekkende woordjes, en klopte haar zachtjes en bemoedigend op de rug en toen zeide hij: Kom, kindlief, laat. ik nu ook eens uitstappen en proberen te helpen.

Met een ruk zat Clara recht overeind en schudde van neen!

Neen! neen! niet doen. Ik zal 't zelf in orde maken.

Al die wanhoopspogingen alléén geven toch niets, ik ga een boer halen om ons uit die kuil te trekken.

Zij liet zich weer zakken in het slib, en ze was er blijmoedig zeker van, dat alle boeren kerels zijn, met harten van goud, zoals in New York niet bestaan onder al die „snobs" en die kerels die je voor alles betalen moet. En tien tegen één, dat niet heel ver weg, een kilometer of zo, in een boerderij zo 'n hart van goud warm en wel voor haar klopte. Zij liep door een modder achtige laan en kwam bij een modderachtige boerderij, met een modderige heemhond, die naar haar benen hapte en bij een troep ganzen, die snaterden en sisten in een echte, onvervalste modderpoel.

Het was een klein, tamelijk oud huis, dat heel lang geleden wel eens de luxe van verf gekend had.

Verder zag zij een grote nieuwe schuur in hard rode kleur met wit afgezet.

Er stond geen naambordje op de deur van het huis, maar op de schuur stond met grote witte letters: Adolph Zolzac, 1913!

Clara klauterde moedig naar boven over een trap van grote houten liggers naar een kleine achterdeur, waar een kapotte karnton stond.

Zij maakte zich wijs, dat zij heel tactisch eenvoudig deed en vriendelijk om juist naar de achterdeur te gaan en niet naar de voordeur, en haast vrolijk klopte zij aan.

Ja! klonk 't van binnen!

Zij tikte nog eens. Herein!...

De deur gaf toegang tot een keuken. In het midden stond een tafel vol met potten en pannen met spek en „nudeln". Een man in hemdsmouwen, één en al baard en kalmte, zat aan de tafel en bleef doodrustig zitten, terwijl het vragend klonk: „Well?"

Mijn wagen, ik bedoel mijn auto, is in de modder blijven steken. '

Natuurlijk mijn eigen schuld, want ik blijk toch niet zo'n heel goede chauffeur te zijn...! (Wordt vervolgd.)