is toegevoegd aan uw favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 31, 1936, no 1097, 16-09-1936

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI

Enne vindt u goed dat we U hebt

zo vreselijk hard gezwoegd, en eigenlijk ons leven gered. Mag ik u niet betalen voor al die moeite? We voelen dat we zo heel veel verplichting aan u hebben...

O! 't had helemaal niets te betekenen, ik was echt in mijn schik dat ik u van dienst kon zijn!

Hij schudde haar vader recht hartelijk de hand. Recht aangenaam met u kennis te maken, mijnheer ?

„Boltwood!"

Mijnheer Boltwood. Mijn naam is Milt, Milton Dagget. En ik zie uit uw nummerplaat dat u uit New York komt. Wij zien niet heel veel wagens uit die streek hier passeren. Ik was blij dat ik u even kon helpen.

O! ja! mijnheer Dagget! — Mr. Boltwood was onder de hand in zijn vestzak aan het scharrelen. —

Achter Milt Dagget stond Clara hevig en heftig haar hoofd te schudden en wilde gebaren te maken, alsof zij met castagnetten klepperde.

Mr. Boltwood haalde zijn schouders op. Hij begreep er nu helemaal niets meer van. De enige betrekking, die hij op den jongen in zijn lelijke, goedkope regenjas had, was een „geldelijke!"

Als iemand iets voor je deed, betaalde je daarvoor, als 't kon, vooral niet te veel en

dan afgelopen! Maar Milt Dagget bleef

beleefd, maar positief rustig staan waar hij stond en — helemaal niet afgelopen.

Want Mr. Boltwood's bloedeigen dochter hield de betrekkingen gaande, door allerlei onnodige vragen: Hebben wij u al eerder gezien? Kan het zijn in dat dorp, dat wij doorreden, een 20 K.M. hier vandaan?

Schönstrom, kwam Milt haar te hulp!

Juist! dat was de naam van het dorp. Als ik 't wèl heb, reden we u voorbij. Wij stonden juist bij een garage om een andere band om te laten leggen.

Ik geloof 't niet, ik was 't dorp ingegaan. Maar vertelt u mij eens, hebben uw vader en u iets te eten gehad.

Wat? — Ik bedoel of u in Schönstrom geluncht hebt?

Neen! we hebben niets gehad, hadden we daar maar gegeten!

Kijk, dan varen we alle drie in 't zelfde schuitje, en u zoudt mij beiden echt pleizier doen, als u met mij — nu, iets zoudt willen eten.

Clara probeerde tegen hem bevestigend te glimlachen, maar het bleef bij de schijn van een schaduw van een lach, want zij, kon

studie zo maakte, dat hij niet zag, hoe zij met geen mogelijkheid enig verband leggen tussen Milt en zijn bemodderde blikken, slechtgeverfde „sprinkhaan" en „eten" — een maaltijd, die haar enigszins belang kon inboezemen.

Hij leek al heel in zijn schik met die quasi-glimlach en zoals hij aangaf, reden zij te zamen naar een plek verderop, onder grote eiken, waar de beide wagens konden parkeren op kort, droog gras.

Maar Mr. Boltwood sputterde onderweg tegen. En al had zijn zenuw-uitputting hem niet quaerulent of lastig en heftig gemaakt, toch had hij een ding waar hij wel bijzonder op gesteld was en dat was „goed eten"!

Wij kunnen misschien best een goed hotelletje vinden en een paar coteletten bestellen, met wat champignons en erwtjes, merkt de man uit Brooklyn „van de Hoogten" op.

O! antwoordde Clara, ik kan mij niet voorstellen dat er hier ergens in de buurt een bruikbaar hotel zou zijn.

En daarbij: die echt aardige, leuke jongen. We kunnen en mogen hem niet kwetsen. Hij heeft er zo echt plezier in om den Barmhartigen Samaritaan te spelen.

Uit de geheimzinnige achterbak van zijn wagen toverde Milt een spiritustoestel te voorschijn en een koekepan, te groot voor kleine kinderen, maar toch wel wat te klein voor de hantering door grote mannenhanden, een stuk spek, een mandje eieren, een koffiepot, een blik gecondenseerde melk en een aantal geëmailleerde borden van verschillende grootten en tot slot nog een partijtje kopjes en schoteltjes

Hij vroeg Clara de kopjes en bordjes wat af te vegen en hij bakte onderwijl spiegeleieren met spek en zette koffie en hij beschutte het spiritustoestel, dat hij in de wagen gezet had, tegen de wind door er gebogen voor te gaan staan.

De geur van de warme eieren en het spek en de lekkere lucht van de koffie, deden Clara vergeten dat zij door en door nat was en dat de regen de gehele tijd langs haar hoed in haar hals droop!

Hij keek naar haar op en zeide vragend: Waarom zoudt u uw schoentjes niet uittrekken?

Wat? zeide Clara.

Hij slikte even en zeide toen hakkelend: Ik bedoel dat als u uw schoentjes, die doornat zijn, wilt uittrekken en rustig in de wagen gaat zitten, ik ze op de motor zal drogen. Want die is nog warm genoeg van het trekken in de modder. En dan kunnen uw kousen onder het voorstuk droog worden. Zij had er schik in, hoe hij 't met

haar schoentjes uittrok en haar voeten, met de, voor die moeilijke tocht, veel te dunne kousen, onder het voorstuk stak en onwillekeurig dacht zij: Wat heeft hij toch een aardige bescheiden manier van doen over zich!

Maar —. hemeltje, wat heeft hij daarbij een affreuse smaak! Maar goed gevormde voeten heeft hij en enkels, en op dat gebied zullen zij wel in „sprinkhaan"-kringen niet verwend zijn. Best mogelijk, dat zijn zusters niet eens benen en armen hebben. Hebben geesten eigenlijk wel zusters?'

Want — hij is een geest uit een sprookje!

En je zult zien, dat als ik eenmaal uit die modder weg ben, zijn jasflappen zich zullen ontplooien als twee prachtige witte vleugels en hij dan wegvliegt.

Maar wat zou er dan met de poes gebeuren?

Zo woelde 't in haar hersens, als een eekhoorn in een draaikooi, en zij zat stijfjes rechtop in de wagen en veegde een roestvlek van een bord, terwijl zij zag hoe hij de spiegeleieren afbakte en opdeed!

Misschien gebruiken ze in de familie Dagett daar altijd katten voor, mijmerde Clara verder, terwijl ze de jammerlijk natte Vere de Vere boven op haar voeten legde. Die lekkere warmte deed de poes echter goed en zij vond het heerlijk en begon zacht te spinnen.

En in die opgen wagen terwijl 't altijd door drens-regende en een totaal vreemde jonge man, op een halve meter van haar vandaan, met een spiritustoestel stond te scharrelen, vond Clara 't, vreemd genoeg, wonderlijk gezellig, en huiselijk en genoeglijk. Milt scheen iets te willen zeggen, maakte een paar verlegen bewegingen met zijn hoofd en toen klonk 't: „Wilt u mijn regenjas niet hebben?"

Weineen! Heus niet. Ik ben al doornat, blijft u liever droog!

Hij vond 't antwoord niet leuk en peuterde verlegen aan een knoop van zijn jas en om 't gesprek een andere wending te geven zeide Clara: en Lady Vere de Vere wordt zó ook lekker droog en warm!

Ja, dat geloof ik. O! ze is zo'n veeleisend mirakel. Eigenlijk zou ze zelf wel een eigen kleine wagen willen hebben, maar ik geloof niet dat ze mij op een lange tocht bij zou kunnen houden. Een eigen kleine wagen ! En dan met die kleine pootjes op

't stuur. Ja, dat zou in-leuk zijn! Gaat u nog ver Mr. Dagget?

Ja, nog een heel eind. Naar Seattle, Washington.

Heusch! o! wat typisch, daar gaan wij ook naar toe.

Werkelijk! en stuurt u dan de gehele tijd. Maar neen! natuurlijk neemt uw vader een deel van de tocht het stuur van u over.

Neen, hij chauffeert niet, hij is er niet mede op de hoogte. Maar — ik egoïst eigenlijk, ik hoop dat hij zich niet ongelukkig voelt zo heel alleen in onze wagen.

Grote genade! Allebei naar Seattle. Wat een typische samenloop van omstandigheden.

Misschien zie ik u wel eens zo nu en dan onder weg! Misschien ook niet! Eenmaal uit deze modderwegen, zal uw wagen de mijne ver en ver achter zich laten.

(Wordt Vervolgd).