is toegevoegd aan uw favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 31, 1936, no 1097, 16-09-1936

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONS KINDERBLAADJE

„Hij trekt de wereld rond,

Door pages vergezeld."

Daarop vroeg Blauwoogje:

„Of hij nog aan mij denkt?

Mij niet vergeten heeft?"

„Ik vrees, dat hij te veel In roes van feesten leeft"

antwoordde de duif.

Op die wijze gingen er twee jaar voorbij; toen kwam de witte vogel weer op een avond bij het klimophuisje terug, met een bloedvlek op haar ene vleugel. En nauwelijks had Blauwoogje gevraagd:

„Wat doet mijn Koningszoon,

Mijn lieve jonge held?"

of ze ontdekte de bloedvlek en vroeg dodelijk verschrikt:

„Is hij gestorven?"

kirde de duif,

„Dat gave God, dat gave God!" „Gestorven zijn, ware beter lot!"

en even later:

„In 't dwaalmoeras is hij verdronken,

In 't dwaalmoeras is hij verzonken.

Waar de riethalmen groeien

En de rietpluimen bloeien

Houdt de Dwaallicht-vorstin hem gevangen.

Wat helpt dus al je verlangen!

Trek je hart van hem af

Hij vindt er zijn graf."

Maar Blauwoogje dacht er anders over. Ze kon niet geloven, dat haar Prins niets meer om haar geven zou en wilde in ieder geval trachten hem te redden. (Wordt vervolgd).

VOOR 'N ALBUM

Je vraagt of 'k hier een versje in

schrijf,

Maar 'k heb geen liedjes, kind, 't Is in mij nevelgrauw en stil, Zó, dat 'k geen wijsje vind.

Maar liedjes zijn er toch genoeg, Zo zeg je en met recht,

Maar, kind, 'k heb van mijn leven

niet

Een ander na-gezegd.

Dus leen ik niet en zegt men soms: 't Is niet veel wat hij geeft,

Denk dan: Wat uit jezelve komt Alleenlijk waarde heeft. L.

Antwoord op het raadsel van 26 Augustus. DE KERS.

BIJBLAD VAN „DE PROLETARISCHE VROUW" VAN 16 SEPTEMBER 1936. No. 1094. ZEVEN EN TUINT. JAARGANG No. 978 VAN „ONS KINDER BLAADJE". VERSCHIJNT ELKE WOENSDAG. REDACTIE-ADRES: WALDECK PYRMONTLAAN 11, AMSTERDAM

Heiitio in 't Moeras

Door VOLKMAN—LEANDER. >)

„Onze zoon Heino is wel een groot liefhebber van jagen", zei de oude Koning. „Alle dagen rijdt hij met pijl en boog het bos in, maar hij schijnt al wat hij schiet aan de armen te geven; een goedhartige jongen is hij toch!" Zo sprak de oude Koning tot de Koningin, maar de reën in 't woud wisten wel beter. Ze hadden niets geen vrees voor Heino, want ze kenden hem sinds lang en wisten, dat hij hun nooit kwaad deed. Nog geen enkele maal had hij een pijl op hen afgeschoten.

Wil rooH altiiH olloon maar "hot.

AXlj 1VVW bVXVAJVA. **vw

bos aoor tot aan net einae, waar

een klein nuisje stonci, onaer struiken en bomen verborgen;

uren en vensters bijna geheel dichtgegroeid or klimop en kamperfoelie. Voor de deur jnd Blauwoogje, en als ze den Koningszoon g aankomen, schitterden haar ogen als stern en straalde heel haar lieve gezicht. ,Wel vreemd toch," zei de Koning, „dat Heino loit eens een stuk wild mee thuisbre" j 't allerliefst alleen op jacht gaat.

ns met hem mee uit, dan raakt hij . n ree."

Toen dit maar altijd zo bleef doorgaan, begon de Koning de zaak toch te wantrouwen en gaf hij een trouwen dienaar last den jongen man eens heimelijk te volgen, en

deze vertelde hem alles. Het bloed steeg den ouden Koning naar de kroon, toen hij van Heino's dagelijkse bezoeken aan Blauwoogje hoorde. Hij had heel andere plannen met zijn zoon en hem de doch¬

ter van een machtig vorst toegedacht, wiens gebied aan het zijne grensde. In zijn woede ontbood hij twee jagersknechten bij zich, liet hun een klomp goud voorzetten, zo groot als een kinderhoofd en be-

') Uit „Bij het haardvuur". Uitgave H. Meulenhoff, Amsterdam.